Beide landen claimen een onvertaalbaar woord voor hun sociale warmte. Maar is dat wel zo uniek — of vooral nationale mythologie?
De mythe van onvertaalbaarheid
Vraag een Nederlander naar het woord dat zijn cultuur het beste typeert, en negen van de tien keer krijg je “gezellig” als antwoord. Vraag vervolgens wat het betekent, en er volgt gegaap, gestotter, en uiteindelijk een halfslachtige poging: “Ja, het is zoiets als… cozy, maar dan anders. Je kunt het eigenlijk niet vertalen.”
De Fransen doen precies hetzelfde met “convivialité”. En de Denen met “hygge”. De Duitsers met “Gemütlichkeit”. De Noren met “koselig”. De Zweden met “mysig”. Zelfs de Jiddische “heimish” claimt dezelfde onvertaalbaarheid.
Opvallend, nietwaar? Bijna elk Noord-Europees land heeft een woord dat zogenaamd de essentie van de nationale ziel vangt én onvertaalbaar is. De linguïst Tim Lomas van de Universiteit van East London, die “onvertaalbare” emotiewoorden wereldwijd catalogiseert, merkt droogjes op dat deze woorden vaak functioneren als culturele identiteitsmarkers — als manieren waarop naties zichzelf vertellen dat ze uniek zijn.
Wat convivialité werkelijk betekent
Het woord “convivialité” werd in 1825 gemunt door Jean Anthelme Brillat-Savarin in zijn invloedrijke werk Physiologie du goût. Hij omschreef het als “het genoegen van samen leven, van de noodzakelijke evenwichten zoeken om goede communicatie tot stand te brengen, een oprecht vriendschappelijke uitwisseling rond de tafel.”
“Les animaux se repaissent; l’homme mange; l’homme d’esprit seul sait manger.”
— “Dieren vreten zich vol; de mens eet; alleen de geestrijke mens weet te eten.”
Dat citaat vat de kern van het Franse denken samen: convivialité is onlosmakelijk verbonden met de tafel, met gastronomie, met de verheffing van het alledaagse tot kunst. Het is geen toeval dat het woord etymologisch teruggaat op het Latijnse convivium — letterlijk “samen leven” maar in de praktijk “gezamenlijke maaltijd”.
Roland Barthes schreef over Brillat-Savarin: “Zijn boek is door en door het boek van het ‘eigen menselijke’, want het is het verlangen — in zoverre het zich uitspreekt — dat de mens onderscheidt.”
De Franse convivialité heeft dus een filosofische ondertoon die het Nederlandse equivalent mist. Het gaat niet alleen om gezellig samenzijn, maar om een bewuste cultivering van smaak, een intellectualisering van het genieten. De Franse socioloog Alain Caillé definieerde “convivialisme” zelfs als een complete maatschappijvisie — een alternatief voor zowel liberalisme als collectivisme.
Wat gezelligheid werkelijk betekent
Het Nederlandse “gezellig” heeft een volkser karakter. Het woord stamt af van “gezel”, dat in de Middeleeuwen verwees naar een gildegezel — iemand die een ambacht leerde bij een meester. De oorsprong ligt dus niet in de verfijnde tafelcultuur, maar in de kameraadschap van ambachtslieden.
De Amerikaanse filosofe Hilde Lindemann beschreef haar verwarring toen ze op studiereis in Nederland voor het eerst met het woord werd geconfronteerd. “Gezellig, hè?” zei iemand tijdens een etentje. Toen ze vroeg wat het betekende, krasten haar Nederlandse vrienden zich op het hoofd. “Sociaal,” probeerde iemand. “Nee, meer cozy,” corrigeerde een ander.
Antropoloog Rajendra Pradhan merkt op dat koffiepauzes in Nederland rituelen van gezelligheid zijn — momenten waarop “mensen hun werk of individuele bezigheden opzij zetten om samen te komen als sociale wezens.” Dit contrasteert met Amerika, waar koffie primair dient om de productiviteit te verhogen.
Maar hier komt een donkerdere kant: gezelligheid vereist conformiteit. Het Nederlandse “rondje geven” is een oefening in groepsbinding, maar ook een test van sociale etiquette. Wie niet meedoet aan de groepsnormen, riskeert uitsluiting. De historicus Simon Schama, in zijn magistrale The Embarrassment of Riches, wees al op deze spanningen in de Nederlandse cultuur.
Herman Pleij, emeritus hoogleraar Middelnederlandse letterkunde, schreef in reactie op Schama het boek De Nederlandse Verlegenheid — een poging om te begrijpen waarom Nederlanders tegelijkertijd trots zijn op hun cultuur én er ongemakkelijk mee omgaan.
Het verschil in de praktijk
Voor Nederlandse expats in Frankrijk manifesteert het verschil zich in alledaagse situaties.
De maaltijd
In Nederland kan een boterham met kaas, staand aan het aanrecht gegeten, prima “lekker” zijn. In Frankrijk is dat ondenkbaar. De lunch is een ritueel — tot 2014 was het bij wet verboden om aan je bureau te eten. Dit komt niet uit luiheid maar uit een diepgewortelde overtuiging dat de maaltijd een moment van menselijk contact verdient, niet van efficiëntie.
Brillat-Savarin formuleerde het zo:
“Dis-moi ce que tu manges, je te dirai ce que tu es.”
— “Vertel me wat je eet, en ik vertel je wie je bent.”
In Nederland zou het eerder zijn: “Eet maar gewoon, doe maar normaal.”
De groet
Nederlanders schrikken vaak van de Franse bises — de kussen bij begroetingen. In een Frans kantoor staat iedereen op om nieuwkomers te begroeten, inclusief wangkussen. In Nederland is een kort knikje of “hoi” meestal voldoende. Het Franse ritueel is een vorm van convivialité die expliciet wordt geënsceneerd; de Nederlandse gezelligheid sluipt er meer vanzelf in.
Het gesprek
Fransen houden van debat. “Wij genieten van het uitwisselen van ideeën, het koesteren van een kritische geest, het luisteren naar anderen, en het verdedigen van ons standpunt,” aldus de website van Île de France Cheese — inderdaad een kaasproducent, want ook commercie weet dat l’art de la conversation een verkoopargument is.
De Nederlandse gezelligheid is minder dialectisch. Een avond is “gezellig” als niemand ruzie maakt, als er consensus heerst, als de sfeer goed blijft. Conflict is ongezellig. In Frankrijk kan een verhit debat juist bijdragen aan de convivialité — de scherpte van de uitwisseling bewijst dat men elkaar serieus neemt.
Wat zeggen ze over elkaar?
De Zweedse zakenvrouw Anna Malmhake, die jaren in Frankrijk werkte, schreef: “Het meest irritante aan sommige Fransen is dat ze denken dat Frankrijk het meest gecultiveerde en sociaal verfijnde land ter wereld is. Nog irritanter is dat ze waarschijnlijk gelijk hebben.”
Omgekeerd verbazen Fransen zich vaak over de Nederlandse directheid en informaliteit. Columniste Sylvia Witteman, die in diverse landen woonde, merkte op: “In Rusland zeg ik ‘u’ tegen iedereen die ik niet ken. In Duitsland en Frankrijk ook. Niemand kijkt ervan op. In Nederland is ‘u’ zeggen bijna een belediging — je impliceert dat iemand oud is.”
De Deense professor Claus Andersen, specialist in Scandinavische studies, biedt een interessante verklaring voor de aantrekkingskracht van dit soort concepten: “Het idee van hygge kreeg momentum in het Verenigd Koninkrijk rond 2015, toen het land debatteerde over de Brexit. Het jaar daarna kwam het naar de VS, rond de tijd van de presidentsverkiezingen. Op momenten waarop je je rug naar de wereld keert, komt hygge — of gezelligheid — in beeld.”
Met andere woorden: deze concepten floreren in tijden van onzekerheid, als mensen behoefte hebben aan geborgenheid en groepsidentiteit.
Praktische lessen voor expats
1. Accepteer het tempo van de maaltijd. In Frankrijk is de lunch geen onderbreking van het werk maar een cruciaal onderdeel van het sociale leven. Wie aan zijn bureau eet, mist niet alleen een maaltijd maar ook netwerkkansen en vriendschappen.
2. Leer debatteren zonder te winnen. Een Frans meningsverschil is vaak geen conflict maar een dans. De kunst is om je punt te maken zonder de relatie te beschadigen. Dit verschilt wezenlijk van de Nederlandse consensuscultuur.
3. Rituelen zijn geen formaliteit. De bises, het “bonjour” bij elke winkel, het “bon appétit” voor de maaltijd — het zijn geen holle vormen maar de bouwstenen van convivialité.
4. Gezelligheid is niet hetzelfde als convivialité. Verwacht niet dat een Franse avond “gezellig” wordt in de Nederlandse zin. Er kan scherpe humor zijn, intellectueel vuurwerk, zelfs conflict. Dat hoort erbij.
5. Beide culturen hebben een schaduwzijde. De Nederlandse gezelligheid kan verstikkend zijn voor wie niet conformeert. De Franse convivialité kan exclusief zijn voor wie de codes niet kent. Wees je bewust van beide valkuilen.
Twee wegen naar hetzelfde
Zowel gezelligheid als convivialité zijn uiteindelijk pogingen om betekenis te geven aan menselijk samenzijn. De Nederlander zoekt het in de informele warmte van de groep; de Fransman in de gecultiveerde kunst van het goede leven. Geen van beide is “beter” of “authentieker” — het zijn culturele variaties op een universeel thema.
De claim van onvertaalbaarheid zegt meer over nationale ijdelheid dan over linguïstische werkelijkheid. Maar dat maakt de concepten niet minder waardevol. Ze herinneren ons eraan dat samen eten, samen praten, samen zijn — in welke culturele verpakking dan ook — tot de kern van het mens-zijn behoort.
“Le plaisir de la table est de tous les âges, de toutes les conditions, de tous les pays et de tous les jours.”
— “Het genoegen van de tafel is van alle leeftijden, alle standen, alle landen en alle dagen.” — Brillat-Savarin
Bronnen
- Brillat-Savarin, J.A. (1825). Physiologie du goût
- Schama, S. (1987). The Embarrassment of Riches: An Interpretation of Dutch Culture in the Golden Age
- Pleij, H. (2014). Moet kunnen: Op zoek naar de Nederlandse identiteit
- Lomas, T. (2016). “Towards a positive cross-cultural lexicography” — categorisatie van onvertaalbare emotiewoorden
