Le bon alcool

TonneauWie zich vandaag – terecht – zorgen maakt over watervervuiling had in het middeleeuwse Parijs moeten wonen. De levensechte verfilming van ‘Le parfum’ – het meesterboek van Patrick Suskind – schreeuwt het uit: l’eau est mortelle! Wie erin zwom, zich ermee waste, of ervan dronk, was zijn leven niet zeker. Dat het toilette van Louis XIV in Versailles nooit verder gegaan is dan het snel deppen met een geparfumeerd handdoek getuigd niet van een tekort aan hygiëne maar van weloverwogen lijfsbehoud.

Tot laat in de 17de eeuw was voor stadsbewoner de wijn de enige veilige drank. Ingevoerd in de 6de eeuw vóór Christus via Marseille door de Grieken en zeer geprezen door de Galliërs – uitvinders van de tonneau, het eiken vat – werd de wijn in Gallië eeuwenlang geïmporteerd uit Italië en pas na de bezetting door de legioenen van Jules César in het land zelf verbouwd. De wijnteelt verspreidde zich vervolgens snel over het hele land – eerst langs de Rhône-dal – zodat het middeleeuwse Frankrijk de grootste wijnproducent en exporteur werd, met als voornaamste productieregio… Parijs en het Isle-de-France (Italië zou haar kampioenstitel pas in 2008 herwinnen). De stuwkracht achter die vlotte verovering was het Christendom: ‘le sang de la terre’ van de heidenen was immers ‘le sang du Christ’ geworden, en de behoefte aan ‘vin de messe’ maakte dat elk klooster er een behoorlijk wijngaard op nahield. Dom Pérignon, de uitvinder van de méthode champenoise, was dan ook een benedictijnse monnik.

Wat voor wijn werd er in de Middeleeuwen gedronken? Niet meer de met kruiden, honing en hars gemengde wijn uit de oudheid, maar aanvankelijk ook nog niet de voornamelijk rode wijn die ons vandaag zo lief is. Nee, er werden vooral lichte witte wijnen gedronken, gemengd met (wat) water, om de dorst te lessen. Omdat het drinken voor het eten kwam, nam de wijnteelt zo’n omvang dat de Franse koningen in tijden van hongersnood de wijnranken ‘manu militari’ moesten laten vernietigen: er was simpelweg niet genoeg goede grond over voor de broodnodige granenteelt. Nota bene: al die tijd verkeerde de Bordeaux-wijnen in andere omstandigheden: omdat de Aquitaine – toen Guyenne genoemd – Engels bezit was, waren zij niet bestemd voor de Roi de France, maar voor de Roi d’Angleterre en van zijn bon vouloir afhankelijk.

Met de opkomst van de rode wijn – in de mode gekomen door de uitgesproken voorkeur van de bons-vivants Pausen in Avignon (14de eeuw) – werd die veel zwaardere wijn een belangrijk energiebron voor krachtpatsers: eigenlijk meer voedsel dan drank. Een aangetrouwde tante van mij heeft me onlangs verteld dat er – toen ze als kind naast het transportbedrijf van haar vader woonde –een chauffeur was die elke dag minstens zeven liters wijn dronk – de eau de vie niet meegeteld. Op aandringen van baas en lieve vrouw ging hij naar de dokter die hem streng aanpakte: de arme man mocht dagelijks maar… vijf liters binnenkrijgen. Wijn was toen ‘le bon alcool’.

Le bon alcool’… Want er was intussen, begin 19de eeuw, ook een ‘mauvais alcool’ binnengeslopen: de ‘Fée verte’ oftewel l’absinthe. Die kruidenpreparaat – oermoeder van onze Pastis – was afkomstig uit Pontarlier, in het Juragebergte, waar het als gezondheidsdrank een zekere faam had vergaard. Daardoor werd het tijdens de Algerijnse kolonisatiecampagne (1830) aan alle soldaten ‘tegen de dysenterie’ toegediend – wat later zorgde voor een vlotte verspreiding in heel Frankrijk.

The_Absinthe_Drinker_by_Viktor_OlivaToen – na 1850 – de productie ervan geïndustrialiseerd werd, wat het verraderlijk goedje goedkoper maakte dan wijn, was het zo ver: van 700000 liters in 1874 (al 90% van de apéros) explodeerde het volume tot 36 miljoenen liters in 1910. Een factor vijftig! Iedereen ging het drinken en vele gingen er aan onderdoor. Niet alleen de bourgeois, maar vooral de arme arbeiders, de kunstenaars, de (zwangere) vrouwen in grote aantallen – ruïneerden hun gezondheid, zoals Zola het indrukwekkend afschilderde in ‘L’assommoir’.

Al in 1875 werd er campagne gevoerd tegen ‘l’absinthe qui rend fou’ door zowel de katholieke kerk als de vakbonden, de medici, de pers. Maar de beslissende slag werd geleverd door een reusachtige demonstratie van een verbond tussen de antialcoholische liga en… de wijnproducenten, onder één motto: “Tous pour le vin, contre l’absinthe”. De absint werd in 1910 verboden: le bon alcool kon zegevieren, en de wijnindustrie de wereld veroveren.

Een eeuw later heeft de Franse wijnwereld koppijn: la gueule de bois. De binnenlandse consumptie is in de laatste 50 jaar gehalveerd (100 liters per jaar in 1960, 50 in 2010), en bijna 40% van de Fransen – Président Sarkozy en tête – zijn het drinken verleerd. De buitenlandse koper geeft steeds vaker de voorkeur aan de – goedkopere – cépages-wijnen (uit één druivensoort) uit Zuid-Afrika of Zuid-Amerika. Het is duidelijk: de Franse vigneron – tot kort geleden bewaarder van een onveranderlijke traditie – zal wijn moeten (leren) maken die in de smaak valt bij de consommateur-roi.

Bienvenue dans la mondialisation!

C’est vrai, mais… zolang de zachte ‘pop’ van een echte kurk – vive les bouchons! – het proosten tussen vrienden zal inleiden, zal ‘le sang de la terre’ in onze aderen blijven vloeien.

On trinque?

©2018 Communities Abroad  |  infofrankrijk.com

DISCLAIMER

Login

of    

Forgot your details?

Create Account