Onder het kopje aangenomen amendementen in de handelingen der Tweede Kamer staat het volgende:
Artikel I, onderdeel U, artikel 10bis.1, tweede lid
12 (Koolmees)
In dit amendement is een wijziging opgenomen van het voorgestelde artikel 10bis.1 van de
Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) die ertoe leidt dat het overgangsrecht van de
Wet herziening fiscale behandeling eigen woning wordt uitgebreid tot belastingplichtigen
die de voormalige eigen woning tijdelijk hebben verhuurd en die vóór 1 januari 2021 weer
terugkeren naar de voormalige eigen woning. Het in het wetsvoorstel opgenomen
overgangsrecht bevat wel een uitbreiding voor bepaalde belastingplichtigen die op 31
december 2012 geen eigenwoningschuld hebben, maar die uitbreiding is niet van
toepassing op alle belastingplichtigen die tijdelijk verhuren en na die verhuurperiode weer
terugkeren naar de voormalige eigen woning. De voorwaarde voor het beroep op dit
overgangsrecht is namelijk dat deze belastingplichtigen wel in 2012 een eigenwoningschuld
hadden, op 31 december 2012 geen eigenwoningschuld meer hadden en in 2013 weer wel
een eigenwoningschuld hebben. Bijvoorbeeld, een belastingplichtige die al vóór 2012 zijn
voormalige eigen woning is gaan verhuren of die pas na 2013 naar de voormalige eigen
woning terugkeert, valt niet onder het overgangsrecht. Dat zal bijvoorbeeld vaak gelden
voor mensen die in verband met een tijdelijke tewerkstelling elders hun woning tijdelijk
verhuren, zoals expats. Deze belastingplichtigen zouden, tenzij de bestaande lening al een
ten minste annuitaïre lening was of in een zodanige lening kan worden omgezet, ook na
terugkeer geen recht hebben op fiscale renteaftrek voor de eigen woning. Indien de woning
voor een bepaalde periode verhuurd wordt en voor de belastingplichtige niet meer als
hoofdverblijf dient, kwalificeert die woning niet meer als een eigen woning, in de zin van
hoofdstuk 3, afdeling 3.6, van de Wet IB 2001. Dit wordt voor de toepassing van het
eigenwoningregime gezien als een vervreemding van de eigen woning. Hierdoor wordt ook
de schuld die is aangegaan in verband met die woning vanaf dat moment niet meer
aangemerkt als een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3119a van de Wet IB 2001.
Hierdoor zou een belastingplichtige die zijn voormalige eigen woning vóór 1 januari 2012 (is hier bedoeld 1 januari 2013, jdv??) heeft verhuurd niet onder het overgangsrecht vallen en zou de terugkeer naar dezelfde mwoning fiscaal als een verwerving van een nieuwe eigen woning worden beschouwd. Die belastingplichtige zou met zijn nog lopende hypotheekschuld onder het voorgestelde
nieuwe regime voor de eigen woning komen te vallen. Dit betekent dat die
belastingplichtige bij terugkeer een lopende niet-aflossingslening – om in aanmerking te
komen voor aftrek van rente voor de eigen woning – zou moeten omzetten in een lening
met een ten minste annuïtair aflossingsschema.
Dit amendement regelt dat de eigenwoningschuld die de belastingplichtige op het moment
direct voorafgaand aan de genoemde vervreemding had, onder het overgangsrecht valt,
voor zover uiterlijk in 2020 (dus vóór 1 januari 2021) de schuld op deze woning weer
aangemerkt wordt als een eigenwoningschuld. Deze uitbreiding van het overgangsrecht
geldt uitsluitend indien die vervreemding het gevolg is van tijdelijke verhuur van de
voormalige eigen woning. Van een tijdelijke verhuur in de zin van deze bepaling is sprake
indien de belastingplichtige vóór 1 januari 2021 is teruggekeerd naar de voormalige eigen
woning en deze woning aan die belastingplichtige weer (anders dan tijdelijk) als
hoofdverblijf ter beschikking staat.
Noot jdv: let dus op de definitie van “tijdelijke verhuur” in de laatste zin: er hoeft helemaal geen sprake te zijn geweest van verhuur met een verhuurcontract. Voldoende lijkt mij een vervreemding van de woning (om welke reden dan ook) voor 31.12.2012 en terugkeer naar dezelfde woning voor 1.1.2021 voorzover deze dan weer als hoofdverblijf anders dan tijdelijk ter beschikking staat (en dus weer de “eigen woning” wordt). Ik ben overigens benieuwd of hier jurisprudentie gaat ontstaan over het begrip “tijdelijke verhuur”. Ik kan me voorstellen dat een belastinginspecteur een letterlijker uitleg wenst te geven dan in de toelichting op dit amendement staat. Maar toelichtingen in Kamerstukken blijken voor rechters nogal vaak doorslaggevend te zijn. Ik kom nog even terug op de mogelijke samenhang tussen deze uitzonderingsbepaling voor overgangsrecht en de verhuisregeling.

