|
|
|
|
|
| |
Kinderbijslag vanaf het tweede kind
Buitenlanders die permanent in Frankrijk wonen, kunnen ook aanspraak maken op kinderbijslag: allocations familiales. De regeling geldt voor iedereen met een gezin van in principe ten minste twee kinderen onder de 11 jaar of, als zij studeren, tot 21 jaar. In de overzeese gebiedsdelen wordt al bij één kind de bijslag uitgekeerd. De betalingen geschieden maandelijks. De 'gewone' kinderbijslag is nu € 120,32 netto per maand voor twee kinderen, € 274,47 voor drie kinderen, € 428,61 voor vier kinderen en € 154,15 voor elk kind meer. Voor kinderen vanaf 14 jaar komt daar nog € 60 bij.
Wie in aanmerking wil komen voor de kinderbijslag moet het volgende neenemen: een kopie van het paspoort van de ouders, een uittreksel van het geboorteregister van de kinderen en de attestation de scolarité (bewijs dat de kinderen naar school gaan). Ook wordt wel een bewijs (in de Franse taal) verlangd van de Sociale Verzekeringbank dat men geen kinderbijslag uit Nederland meer krijgt. De kinderbijslag is aan te vragen bij de CAF’s, de overal verspreide Caisses d’allocations familiales.
Dan is er nog de allocation de rentrée scolaire – ARS, een bedrag van € 263,28 per kind van 6 tot 18 jaar bij het begin van het nieuwe schooljaar. De uitkeringen worden verstrekt aan gezinnen van wie het jaarinkomen lager is dan ruim € 17.000 bij één kind. Voor elk kind meer mag het grensinkomen met circa € 4.000 worden aangepast. Wie meer inkomen geniet, ontvangt een lagere ARS.
Print dit artikel
|
|
|

|
|
|
|
|

|
| |
|
Intrekking CMU-regeling herroepen Het besluit dat per eind maart 2008 niet-gepensioneerde buitenlanders uit de CMU worden gestoten, is van de baan. Mede dankzij het ingrijpen van de Britse ambassade, die hierbij samenwerkte met de Nederlandse ambassade, heeft het ministerie van Volksgezondheid de maatregel ongedaan gemaakt. Mensen die nu verzekerd zijn onder de CMU (Couverture maladie universelle) kunnen dat blijven. Nieuwkomers zullen vijf jaar moeten wachten alvorens zij een inschrijving bij de CMU kunnen krijgen. De lokale kantoren van de CPAM zijn al via een circulaire op de hoogte gebracht en zullen de verzekerden die al een brief hadden ontvangen een nieuwe brief sturen, waarin de beëindiging van de verzekering wordt herroepen. Erg vlot verloopt dat laatste nog niet. Inmiddels is er een onduidelijkheid bij gekomen. Als iemand door Nederland verdragsgerechtigd wordt verklaard (E 121) dan geniet deze vorm in alle gevallen voorrang en staat los van het nieuwe besluit rond de CMU en verhuizende niet-gepensioneerde inwoners uit EU-landen. Voor wie niet verdragsgerechtigd is en vóór 23-11-2007 is de CMU zat, verandert er niets. Mensen die na 23-11-2007 zijn gekomen kunnen dus pas in de CMU na een wachttijd van 5 jaar. In de tussentijd moet men zich dan particulier verzekeren tegen ziektekosten. CLEISS, Centre de liaisons européennes et internationales de securité sociale, rept in een toelichtende brief aan o.a. de ambassades niet over de nieuwe verdragsgerechtigden die nu in de CMU zitten en zich met E 121 zouden moeten melden. Heel expliciet is wel vermeld dat inactieven die vóór 23 november bij de CMU verzekerd waren, dat kunnen blijven. |
Het oorspronkelijke bericht:
CMU voor sommige buitenlanders niet meer mogelijk
Uit de rubriek Praktische informatie van deze website:
Le Monde op internet: Paniek onder de Europese gepensioneerden die in Frankrijk wonen. Sommigen van hen hebben dezer dagen een brief gekregen van hun CPAM met de mededeling dat zij hun Carte vitale uiterlijk 30 september moeten inleveren. De Franse krant meldt het verhaal van Charles Mochan, een Britse diplomaat van 59 jaar met prepensioen, die met zijn vrouw in november 2006 in het departement Hautes-Pyrénées is gaan wonen. Volgens zijn relaas heeft hij alles wat betreft de ziektekosten netjes gedaan: hij heeft zich niet ingeschreven bij een particuliere maatschappij, maar bij de Urssaf, de instelling die de sociale premies incasseert. Hij betaalt maandelijks 8% van zijn Engelse prepensioen en komt daarmee in aanmerking voor een dekking onder het regime van de CMU, couverture maladie universelle. Aldus het relaas van Le Monde. Eind augustus ontvingen de oud-diplomaat en zijn echtgenote de brief: 'Conform het decreet van 21 maart 2007 (No.2007-354) kan een Europeaan die zich op Frans grondgebied bevindt en geen gebruik (meer) kan maken van de Europese rechten door het overleggen van formulieren zoals E 106 of E 121, geen verzekering meer genieten van de Sécurité sociale, maar moet zelf een particuliere verzekering afsluiten. Dientengevolge wilt u wel zo goed zijn de Cartes vitales terug te sturen.' De bekende E-formulieren worden gebruikt als men valt onder de ziektekostenverzekering in het thuisland, zoals de Zorgverzekeringswet in Nederland. Men betaalt dan inkomensafhankelijk bijdragen in het moederland, die worden verrekend met het land van vestiging. Op het ministerie van Volkgezondheid in Parijs erkent men een zekere warboel. De inschrijving bij de Urssaf is een vergissing en ook de verstuurde brieven zijn 'onhandig en onbeschoft'. Niettemin volgen deze brieven het decreet van 21 maart, dat op zijn beurt steunt op een Europese richtlijn van 2004. Deze zegt dat Europeanen die zich in een ander EU-land vestigen, moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet ten laste mogen komen van het sociale systeem van hun nieuwe woonland. Zij moeten zelf een verzekering bezitten of aangesloten zijn bij het zorgsysteem van hun thuisland, zo legt Le Monde uit. De verzonden circulaires gelden niet voor gepensioneerden, die verzekerd zijn door hun land van herkomst. Deze categorie buitenlanders die in Frankrijk zijn neergestreken, heeft onder dezelfde voorwaarden toegang tot het sociale stelsel als de Fransen zelf. Het land van origine betaalt een vast bedrag per verzekerde. Er blijft een grijs gebied voor de nog niet-gepensioneerden die leven van hun eigen geld en nog niet zijn aangesloten bij het regime van ziektekostenverzekering. Ook nogal wat Nederlanders met lage of laag opgegeven inkomens hebben - par erreur, zegt Le Monde - aansluiting gevonden bij de CMU in de periode dat de Europese richtlijn van 2004 werd omgezet naar het decreet van maart 2007. De toepassing van het decreet wil een einde maken aan het misbruik van de CMU door buitenlanders met niet nader verduidelijkte of omstreden inkomens. De CMU is bedoeld als vangnet voor ingezetenen van Frankrijk die niet op een 'gewone' manier kunnen worden verzekerd.
De ICNG, Internationale Club van Nederlandse Gepensioneerden (Frankrijk) heeft zich verdiept in het bericht uit Le Monde dat op Wonen en leven in Frankrijk is gepubliceerd. Uit het artikel bleek dat de Franse overheid, op grond van een Besluit van 21 maart 2007, stelt dat een ieder die niet over een E 121 of E 106 formulier beschikt, niet meer voor een ziektekostenverzekering bij de CMU in aanmerking kan komen. Degenen, die reeds zonder E 121 bij de CMU verzekerd waren, dienden hun carte vitale te retourneren. Volgens het Ministère de la Santé betreft het niet een nieuwe maatregel, maar meer een aanscherping én meer consequente uitvoering van een reeds eerder 1 januari 2006 met een door Nederland verstrekt E 121 bij het CPAM hebben opgegeven. 'En, zoals wij inmiddels allemaal weten, heeft iedereen 'recht' op een verplicht E 121, indien men vanuit Nederland een wettelijk pensioen of daaraan gelijkgestelde uitkering (WAO,VUT, in CAO vastgelegde vervroegde pensionering etc.) ontvangt. In het algemeen zal dit nieuwe beleid dus geen gevolgen hebben voor het merendeel der Nederlandse pre-pensionado's', aldus de informatie op de website van ICNG. Maar, wie geen AOW heeft, in Frankrijk woont als ingezetene (en in Nederland niet meer belastingplichtig is voor de Nederlandse inkomstenbelasting), leeft van een spaarpotje, geld uit de oude sok, kortom, geen Nederlandse uitkering of salaris ontvangt: dan krijgt men geen E 121 uit Nederland en is inschrijving bij de CMU niet meer mogelijk. Het is in principe de Nederlandse overheid die bepaalt of een Nederlander in Frankrijk een (verplicht) E 121 krijgt. De Franse overheid stelt dat de CMU een vangnet vormt voor Franse ingezetenen, die om één of andere reden niet bij CPAM of vergelijkbare organisaties verzekerd zijn. Niet-Fransen hebben óf een E 121 óf dienen zich bij een particuliere verzekeringsmaatschappij te verzekeren. Nog een waarschuwing van de ICNG aan zijn leden: 'mochten de in Nederland door de SBNGB gevoerde processen over het keuzerecht gewonnen worden, dan moet u zich realiseren dat, indien u niet kiest voor verzekering via Zvw, Nederlandse premie, E 121 en CPAM, u dan niet meer bij de CMU terecht kunt maar een particuliere (Franse?) maatschappij moet uitkiezen. Deze verzekeringsmaatschappij heeft echter geen aannameplicht, dus als u een medische voorgeschiedenis hebt, kan dit problemen opleveren. Het wordt dan tóch weer een E 121 maar nu heeft U zelf kunnen kiezen', aldus een mogelijke situatie bij een gunstig uitpakkend rechterlijk oordeel. Als men in die situatie zou kiezen niet aan het Nederlandse systeem deel te nemen, zal men zich elders moeten verzekeren en dat kan in Frankrijk dus niet meer bij de CMU. Uiteraard worden er dan in Nederland geen Zvw-bijdragen meer ingehouden en krijgt men uiteraard ook geen E 121. Het is echter voorlopig nog onduidelijk of de Nederlandse verzekeringsmaatschappijen het 'product' buitenlandpolis zullen leveren, zoals vóór 1 januari 2006.
De kwestie raakt vooral veel Britten, veruit de grootste categorie buitenlanders in Frankrijk. De Britse website French Health Issues heeft een voorbeeldbrief gemaakt die kan worden gestuurd naar de plaatselijke CPAM. Mensen die langer dan vijf jaar hun residentie hebben in Frankrijk mogen niet meer uit de CMU worden gestoten.
|
Cher Monsieur
Je serais reconnaissant si vous pouviez lire cette lettre suivante afin de reconsidérer votre décision qui ne me donne pas les C.M.U.
Reference Directive 38/2004 EU CHAPITRE III
DROIT DE SÉJOUR
Article 7
Droit de séjour de plus de trois mois
1. Tout citoyen de l'Union a le droit de séjourner sur le territoire d'un autre État membre pour une durée de plus de trois mois:
a) s'il est un travailleur salarié ou non salarié dans l'État membre d'accueil, ou b) s'il dispose, pour lui et pour les membres de sa famille, de ressources suffisantes afin de ne pas devenir une charge pour le système d'assistance sociale de l'État membre d'accueil au cours de son séjour, et d'une assurance maladie complète dansl'État membre d'accueil;mais
CHAPITRE IV DROIT DE SÉJOUR PERMANENT
Section I Éligibilité
Article 16
Règle générale pour les citoyens de l'Union et les membres de leur famille
1. Les citoyens de l'Union ayant séjourné légalement pendant une période ininterrompue de cinq ans sur le territoire de l'État membre d'accueil acquièrent le droit de séjour permanent sur son territoire. Ce droit n'est pas soumis aux conditions prévues au chapitre III
Egalement
CHAPITRE V DISPOSITIONS COMMUNES AU DROIT DE SÉJOUR ET AU DROIT DE
Séjour permanent
Article 24
Égalité de traitement
1. Sous réserve des dispositions spécifiques expressément prévues par le traité et le droit dérivé, tout citoyen de l'Union qui séjourne sur le territoire de l'État membre d'accueil en vertu de la présente directive bénéficie de l'égalité de traitement avec les ressortissants de cet État membre dans le domaine d'application du traité. Le bénéfice de ce droit s'étend aux membres de la famille, qui n'ont pas la nationalité d'un État membre et qui bénéficient du droit de séjour ou du droit de séjour permanent.
Je me permets donc de vous redemander de réexaminer notre dossier et de tenir compte de ces nouveaux faits cités ci-dessus.
(De beleefdheidsregel, Je vous prie, Monsieur, de ..................) |
|
Alleenstaande vrouwen verliezen verzekering Het decreet van 21 maart van dit jaar waarbij het aantal (buitenlandse) genieters van een CMU-verzekering wordt teruggebracht, is voorafgegaan door een decreet van 14 februari, dat een artikel bevat waarbij de verzekering tegen ziektekosten voor weduwen en gescheiden vrouwen moet worden gekort. Iedereen in Frankrijk die 60 uur in een maand heeft gewerkt of 120 uur in drie maanden, behoudt de rechten op betalingen door de Sécu van ontvangen medische zorg en ziekenhuisopname voor een periode van vier jaar. Het nieuwe decreet brengt deze periode terug tot een jaar. De uit 1993 stammende regeling gold ook voor weduwen en gescheiden vrouwen die nooit officieel hebben gewerkt (vrouwen van winkeliers of artisans) en geen eigen pensioen ontvangen, noch dat van hun ex-echtgenoot. Het recht om vier jaar na de scheiding of overlijden verzekerd te blijven, is ook teruggebracht tot een periode van een jaar. Na dat jaar kunnen deze personen zich aanmelden bij de CMU en betalen dan een premie van 8% over hun jaarinkomen boven de franchise van € 7083. Die premie is niet aan een plafond gebonden, waardoor verzekerden met hoge inkomens soms torenhoge premies moeten betalen. Het nieuwe decreet kent geen terugwerkende kracht, zodat de personen die nu onder de regeling van vier jaar vallen deze termijn behouden. |
Print dit artikel
|
|
|

|
|
|
|
|

|
| |
|
Woonlandfactor Frankrijk ongewijzigd
In 2008 is de woonlandfactor voor Frankrijk gehandhaafd op 0,6935. In 2008 is de vaste bijdrage omhoog gegaan van € 88,25 naar € 100 per maand. Rekening houdend met de woonlandfactor betekent dit een bijdrage van € 61,20 voor een in Frankrijk wonende Nederlander die een uitkering of pensioen uit Nederland ontvangt. Voor ieder meeverzekerd gezinslid van 18 jaar of ouder die in een EU-land woont, is bovendien eenzelfde vaste bijdrage per maand verschuldigd. Voor iedere verzekerd is daarnaast ook inkomensafhankelijke bijdragen Zvw en AWBZ verschuldigd. Ook deze bijdragen worden berekend met behulp van de woonlandfactor. Als uitgangspunt gelden de percentages, die men in Nederland over het inkomen zou moeten betalen: - 7,2 % over loon, WAO-/WAZ-uitkering, Anw- en AOW-pensioen; en - 5,1 % over overige inkomsten. De bijdrage wordt niet alleen geheven over het inkomen uit Nederland, maar ook over eventuele inkomsten uit een ander land. In totaal kan de bijdrage in 2008 worden berekend over maximaal € 31.231. Ook bij de berekening van de bijdragen AWBZ geldt als uitgangspunt het percentage, dat men in Nederland over het inkomen zou moeten betalen: - 12,15% over het inkomen in de eerste en tweede belastingschijf (ook al is men niet in Nederland belastingplichtig). De bijdrage wordt niet alleen geheven over het inkomen uit Nederland, maar ook over eventuele inkomsten uit een ander land. In totaal kan de bijdrage worden berekend over maximaal € 31.589.
Voorbeeldberekening bij alleen AOW van € 1200 per maand met één gezinslid; het maandbedrag wordt uiteraard aanzienlijk hoger als ook de andere inkomsten, zoals een bedrijfspensioen, wordt meeberekend. Over die ‘overige’ inkomsten wordt 5,1% bijdrage ingehouden, gecorrigeerd met de woonlandfactor.
Vaste bijdrage van € 100 x woonlandfactor Frankrijk van 0,6935 € 69,35 Bijdrage over € 1200 AOW x woonlandfactor Frankrijk x 7,2% € 59,91 Bijdrage AWBZ over € 1200 AOW x woonlandfactor Frankrijk x 12,15% € 101,11 Vaste bijdrage voor gezinslid van € 100 x woonlandfactor Frankrijk van 0,6935 € 69.35 Per maand (er is geen rekening gehouden met eventuele heffingskortingen) € 299,72
Er zijn vier statussen mogelijk voor ziektekostenverzekering bij emigranten:
1. Verzekerd onder het Nederlandse stelsel bijvoorbeeld door inkomen uit arbeid in alleen Nederland; 2. Verzekerd onder het Franse stelsel, bijvoorbeeld door werken in alleen Frankrijk; 3. Verdragsgerechtigd met verplichte aanmelding bij CVZ (College voor Zorgverzekeringen), bijvoorbeeld door (alleen) wettelijk pensioen uit Nederland of als gezinslid van een in Nederland verzekerde zonder eigen recht op verzekering in Frankrijk; 4. Particulier verzekerd, bijvoorbeeld wie van zijn vermogen leeft in Frankrijk of een niet-wettelijk pensioen uit Nederland heeft.
De verdragsgerechtigdheid is geen verzekeringsplicht, maar een aanspraak op vergoeding van medische en zorgkosten ten laste van Nederland, naar de regels van het wettelijke stelsel in Frankrijk. Dit vloeit voort uit het Europese sociale zekerheidsrecht (EG1408/71). Die verdragsgerechtigdheid is op de eerste plaats gericht op degenen die een wettelijk pensioen of een wettelijke (langlopende) uitkering vanuit Nederland hebben (waaronder AOW en WAO en bedrijfspensioenen vallend onder een CAO) en hun gezinsleden, gedefinieerd naar Franse definitie (de ayant-droits). Er blijven categorieën emigranten over die noch onder het Franse ziektekostenstelsel vallen, noch verzekeringsplichtig Zvw, noch verdragsgerechtigd zijn. Te denken valt aan degenen die van een particuliere lijfrente of van hun vermogen leven (zonder AOW). Deze zullen particulier verzekerd zijn en kunnen dat blijven, al dan niet bij een Nederlandse verzekeraar.
Collectieve zorgverzekering voor Nederlanders in ht buitenland
Het bestuur van de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland (SBNGB) wil de mogelijkheid onderzoeken van een collectieve zorgverzekering voor Nederlanders die in het buitenland wonen. Hierbij zullen niet alleen de mogelijkheden bij de Nederlandse verzekeringsmaatschappijen worden onderzocht, maar ook bij maatschappijen buiten Nederland.
Zo'n constructie zou voordelen in kostprijs en voorwaarden kunnen opleveren als de uitspraak in het proefproces over het keuzerecht inderdaad een keuze tussen een aansluiting bij het plaatselijke ziekenfonds als verdragsgerechtigde met een E-121 formulier of een aansluiting bij een particuliere verzekeringsmaatschappij mogelijk zal maken. In het laatste geval zal men geen verplichte Zvwbijdragen aan Nederland hoeven te betalen. Maar ook als het keuzerecht niet gerealiseerd zal worden, of pas op langere termijn, dan kan een collectieve verzekering in bepaalde gevallen een oplossing bieden. Er bereiken de Stichting berichten uit diverse landen dat er belangstelling is om naast de verplichte ziekenfondsverzekering een particuliere verzekering met volledige dekking aan te gaan, mocht dit tegen aanvaardbare kosten en voorwaarden kunnen gebeuren. Het bestuur wil in eerste instantie inzicht krijgen in de belangstelling die voor een collectieve verzekering bestaat. Klik hier om de gegevens in te vullen.
Print dit artikel
|
|
|

|
| |
|
Zorgverzekeringwet: Nederland kon niet anders
Zoals eerder hier gemeld, is op 12 oktober in Parijs een bijeenkomst geweest op de Nederlandse ambassade, waarbij de Nederlandse verenigingen in Frankrijk informatie ontvingen van Nederlandse ambtenaren over de gevolgen van de invoering van de Zorgverzekeringswet voor Nederlanders in het buitenland. Uit de diverse verslagen in de verenigingsbladen en het orgaan van de FANF (Fédération des Associations Néerlandaises en France - Federatie van Nederlandse Verenigingen in Frankrijk) valt inmiddels een algemeen beeld te destilleren: Nederland kon niet anders.
Gesproken werd met mr. A.G. Bloemheuvel, hoofd afdeling verzekeringen van het ministerie van VWS en zijn medewerker mr. drs. E. van den Berg. Zij lieten weten dat mensen die al lange tijd in Frankrijk wonen en geen vrijwillige AWBZ-premie hebben betaald vóór de invoering van de zorgverzekeringswet, bij terugkeer in Nederland een wachttijd van één maand voor elk jaar dat zij in het buitenland woonden, zullen hebben. Sedert de verplichte inhouding van de ZVW-premie op inkomen uit Nederlandse bron loopt men daar per jaar dan een maand op in. Dat wil zeggen: men heeft wel direct na terugkeer toegang tot de voorzieningen, maar ze komen pas na de wachttijd ten laste van de AWBZ. 'Tot dan voor eigen rekening!', aldus de scribent in NieuwsNed, het verenigingsorgaan van de Nederlandse Vereniging Languedoc-Roussillon (NVLR). Dat geldt niet voor hen die tot 2006, de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw), bij een ziekenfonds verzekerd waren. Ook degenen die al voor de invoering van de Zvw in 2006 een AWBZ-voorziening hadden, houden deze. Vanaf 2006 kan in het buitenland niet op een AWBZ voorziening aanspraak worden gemaakt. Wel op de voorzieningen die het woonland biedt. In de Zvw-premie is een AWBZ component opgenomen die geen premie wordt genoemd (je kunt immers op geen enkele voorziening aanspraak maken), maar 'bijdragedeel', dat wel gelijk is aan het AWBZ percentage (8%). De schijn wordt gewekt dat er dubbel betaald wordt. 'Dat blijkt niet zo te zijn. Dit schijnt te liggen aan automatiseringsproblemen bij enkele pensioenuitkeerders, die bijvoorbeeld een deel van de CVZ-premie printen in de rubriek AWBZ-premie op het 'loonstrookje'. Hoogst verwarrend', aldus de bijdrage in het blad Magazine van de Nederlandse Club (Zuid-Frankrijk, Monaco). NieuwsNed: 'De troost dat er ook in Frankrijk 'een soort AWBZ' bestaat, is nogal schraal. In Frankrijk bestaat de APA, Allocation Personnel d'Autonomie, een regeling die er is om personen boven 60 jaar te voorzien van hulp en hulpmiddelen die het mogelijk maken zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen. De kosten van die voorzieningen komen echter voornamelijk voor eigen rekening, tenzij men armlastig is. De bijdrage is namelijk gerelateerd aan het inkomen, maar de drempel waaronder de kosten geheel worden vergoed, is heel laag (onder AOW-niveau).'
De vertegenwoordigers van het ministerie hebben trachten duidelijk te maken dat de Zvw een uitvoering betreft van een Europese sociale verzekeringsverordening. Die verordening laat geen keuzevrijheid. Uitgangspunt is het solidariteitsprincipe die de premie laag moet houden. Een chronisch zieke zou anders met een onbetaalbare premie worden geconfronteerd. Vrije keuze en solidariteitsbeginsel zijn onverenigbaar.
De heren Bloemheuvel en van den Berg lieten er geen twijfel over bestaan dat de gerechtelijke procedures met betrekking tot het zorgstelsel die door gepensioneerden in het buitenland tegen de staat zijn aangespannen, uitsluitend 'ten faveure van de betreffende advocaten zijn'. De Europese verordening laat geen ruimte voor keuzevrijheid, dus is volgens de heren het proces dienaangaande zinloos. Ook wat de andere zaken betreft, werd in het vooruitzicht gesteld dat, zelfs wanneer na vele jaren procederen de staat enig proces zou verliezen, wetswijziging of indiening van reparerende wetten het effect van die overwinning meteen zou neutraliseren. Aldus de formulering in NieuwsNed, dat over de hantering van de woonlandfactor nog een kritische noot kraakt. 'De bijdrage die wij moeten betalen is gebaseerd op de gemiddelde sociale zorgkosten in Frankrijk ten opzichte van die in Nederland. Ook tegen de vaststelling van die woonlandfactor lopen procedures. Het is niet duidelijk of de door het College voor Zorgverzekeringen CVZ jaarlijks vastgestelde woonlandfactor op de juiste gegevens is gebaseerd. De verdragslanden geven aan de Europese commissie ten behoeve van interstatelijke betalingen jaarlijks hun gemiddelde zorgkosten per inwoner op. Daarop wordt na controle en publicatie de woonlandfactor door het CVZ in de vorm van een advies aan de minister vastgesteld. Die factor zou dus altijd pas achteraf, als de zorgkosten bekend zijn, vastgesteld kunnen worden. Het wekt dan ook verwondering dat in een noot bij het door de FANF toegestuurde verslag van de voorlichtingsbijeenkomst de woonlandfactor voor 2008 (0,6935) al wordt vermeld', aldus de rapporteur van de NVLR.
Print dit artikel
|
|
|

|
| |
|
'Bezwaar tegen opgave wereldinkomen haalt weinig uit'
(16.03.07) De kans van slagen bij het indienen van een bezwaarschrift tegen het moeten doen van opgaaf van het wereldinkomen is klein. De handelwijze van de Nederlandse fiscus heeft een wettelijke basis. 'Ik kan mij zo voorstellen dat het doen van opgave van wereldinkomen terwijl men niet in Nederland woont op het eerste gezicht wat vreemd voorkomt, maar als men gebruik wil maken van de mogelijkheid tot het ontvangen van een toeslag of wanneer men gehouden is een bijdrage te betalen waarvan de hoogte afhangt van het (wereld)inkomen dan zit er, vrees ik, niets anders op dan gewoon opgave te doen', aldus de visie van mr. W.C.B. van Wettum, partner van Baker & McKenzie te Amsterdam. De vereniging van Nederlandse gepensioneerden in Frankrijk heeft hem om zijn mening gevraagd. Onlangs heeft de Belastingdienst Heerlen de formulieren rondgestuurd. Wanneer men in het buitenland woont kan men toch recht hebben op de zorgtoeslag of kan men verplicht zijn tot het betalen van een bijdrage aan het College voor zorgverzekeringen. Om het wereldinkomen vast te kunnen stellen van mensen die niet in Nederland wonen maar die wel recht hebben op een inkomensafhankelijke toeslag of die een inkomensafhankelijke bijdrage moeten betalen, wordt daarom ook aan die mensen gevraagd om opgaaf te doen van het wereldinkomen. Dit verzoek heeft een wettelijke basis in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Doet men geen of niet tijdig opgaaf van het wereldinkomen, dan heeft dat tot gevolg dat de inspecteur zelf het wereldinkomen vaststelt. Op basis hiervan wordt dan de hoogte van de toeslag of de bijdrage bepaald. Dit houdt voor de belastingplichtige het risico in dat het door de inspecteur vastgestelde inkomen afwijkt van het daadwerkelijk verdiende wereldinkomen en dat men daardoor wellicht onnodig een toeslag misloopt of te veel bijdrage verschuldigd raakt.
Franse gepensioneerdenclub adviseert nog te wachten
Opgave wereldinkomen aan Nederlandse Belastingdienst
De Internationale club van Nederlandse gepensioneerden (ICNG in Frankrijk) heeft opgeroepen om nog even te wachten met het invullen en insturen van de onlangs ontvangen formulieren van de Nederlandse belastingdienst, waarop de niet in Nederland belaste inkomsten moeten worden opgegeven. 'Wij mogen U niet oproepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid en u zult ons niet onze twijfel horen uitspreken of de Belastingdienst wel gerechtigd is deze gegevens te verzamelen. Dit zal zonodig door de rechter bepaald kunnen worden.'
Men kan zich echter wél voorstellen, aldus de ICNG verder, dat het voor de Belastindienst heel moeilijk is om aan te tonen dat men naast AOW of andere Nederlandse inkomsten, ook nog bijvoorbeeld € 1 miljoen dollar als pensioen uit de Philippijnen ontvangt. 'En maakt U zich geen illusies: al uw Nederlandse inkomsten zijn bij de Belastingdienst bekend middels jaaropgaven van pensioenfondsen, banken enzovoort. Edoch, indien U zorgtoeslag heeft aangevraagd wil de Belastingdienst dan wel het CVZ uiteraard weten of u hier recht op had, en zult u dienaangaande de nodige informatie moeten verstrekken. Gemakshalve vragen zij echter deze informatie ook van iedereen die reeds een voorlopige bijdrage 2006 aan het CVZ betaalde.'
Wie de opgave niet terugstuurt loopt kans dat de Belastingdienst de hoogte bepaalt van het wereldinkomen. 'Ook hier weer een nauwelijks verholen dreigement. Indien U echter meer dan ongeveer € 31000 totale (pensioen)inkomsten ontving, betaalt u gewoon al de maximale premies en maken de overige miljoenen die u als 'rijke grijzaards' (volgens o.a. CVZ-baas Hillen) kreeg, niets meer uit. ' De ICNG wil echter niet adviseren om de formulieren onvolledig of onjuist in te vullen. 'Het zou wel eens kunnen zijn dat het laatste woord nog niet gesproken is over deze poging van de Nederlandse Belastingdienst om Nederlanders, die (fiscaal) in het buitenland woonachtig zijn, weer onder de invloedsfeer van de Nederlandse belastingdienst te brengen.' De vereniging heeft aan een fiscalist de vraag voorgelegd of naar zijn mening de Nederlandse Belastingdienst gerechtigd is een opgaaf wereldinkomen te vragen aan Nederlanders die geen ingezetenen van Nederland zijn. Een tweede vraag betrof de mogelijkheid van het indienen van een bezwaarschrift. 'Wacht U dus nog even met het inzenden van de opgaaf wereldinkomen', aldus het advies.
Lange arm Belastingdienst reikt steeds verder; nieuwe afdeling ondervraagt Buitennederlanders
Belastingdienst wil inkomensgegeven van Nederlanders in het buitenland
De Belastingdienst in Heerlen die de Nederlanders in het buitenland onder zijn hoede heeft, wil de inkomens weten van Nederlanders in het buitenland. Al deze mensen zullen worden aangeschreven en moeten een formulier invullen. De Belastingdienst onderneemt die actie op verzoek van Belastingdienst/Toeslagen en het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Het gaat om het niet in Nederland belast inkomen (NiNbi).
Belastingdienst Toeslagen keert de zorg-, huur- en kinderopvangtoeslag uit. De voorlopige berekening van deze toeslagen is gebaseerd op een schatting. Voor de definitieve berekening van de hoogte van de toeslag zal het toetsingsinkomen definitief vastgesteld moeten worden. Hiervoor is het wereldinkomen van de betrokkenen van belang. Het CVZ heft een bijdrage van verdragsgerechtigden (en hun gezinsleden). Deze bijdrage is samengesteld uit een nominaal premiedeel, een pseudo AWBZ-deel en een pseudo Zvw-deel. De bijdrage wordt berekend op basis van het wereldinkomen van de verdragsgerechtigde (of de gezinsleden). Het wereldinkomen is het inkomen dat men in Nederland heeft plus het inkomen dat men buiten Nederland heeft.
Iemand die in het buitenland woont, of daar heeft gewoond, ontvangt een formulier Opgaaf wereldinkomen, als over 2006 recht bestond op een toeslag. Ook verdragsgerechtigden of gezinsleden die een bijdrage verschuldigd waren aan het CVZ ontvangen deze opgaaf. Iedere verdragsgerechtigde, gezinslid, toeslaggerechtigde en toeslagpartner ontvangy een eigen opgaafformulier. Iemand die zowel een bijdrage verschuldigd is als een toeslag ontvangt, ontvangt maar één opgaaf. De hoogte van het inkomen wordt in een beschikking vastgelegd en aan belanghebbende toegezonden. Tevens worden deze inkomensgegevens aan Belastingdienst/Toeslagen en het CVZ verstrekt. Op basis van het wereldinkomen bepaalt Belastingdienst/Toeslagen de definitieve hoogte van de toeslagen. Het CVZ bepaalt hiermee de definitieve hoogte van de bijdrage. Hierover ontvangt men van deze instanties apart bericht.
Als men het niet eens bent met het bedrag van het vastgestelde ‘Niet in Nederland belast inkomen’ dat op de beschikking staat, kan hiertegen bezwaar worden gemaakt. De verzending van de Opgaven wereldinkomen vindt plaats vanaf 22 februari 2007. Verlenging van de inlevertermijn is mogelijk. Dit kan schriftelijk worden aangevraagd. Als iemand uitstel vraagt voor zowel de aangifte Inkomstenbelasting als voor de Opgaaf wereldinkomen, moet dit voor beide formulieren apart worden aangevraagd.
Bij de Belastingdienst/Limburg/kantoor Buitenland zal een aparte afdeling worden ingericht voor het NiNbi-proces. Momenteel is de projectgroep NiNbi ermee belast dit proces vorm te geven. Uitsluitend voor NiNbi is onderstaand adres in gebruik genomen. Belastingdienst, Postbus 2546, 6401 DA Heerlen, Nederland. Algemene informatie en vragen over NiNbi worden beantwoord door de Belastingtelefoon Buitenland. Bereikbaar via +31 55 538 53 85, op maandag tot en met donderdag van 8.00 tot 20.00 uur en op vrijdag van 8.00 tot 17.00 uur. Meer informatie over toeslagen is te vinden op www.toeslagen.nl en meer informatie over de premievervangende bijdrage op www.cvz.nl.
Zorgtoeslag ook voor 'buitenlanders'
Het recht op zorgtoeslag is in het algemeen van toepassing op alleenstaanden en paren die verzekeringsplichtigen Zvw zijn. Dit geldt ook als zij in het buitenland wonen. Men moet daadwerkelijk verzekerd onder de Zvw (en dus de nominale premie betalen) om het recht te kunnen verkrijgen. De Belastingdienst gaat – maandelijks - toetsen of een aanvrager (en zijn partner) wel echt terug te vinden is in het bestand van verzekerden. Als de partner niet verzekerd is krijgt men slechts 50% van de zorgtoeslag. Aangezien de zorgtoeslag tegemoet wil komen in de nominale premie hebben kinderen beneden de 18 jaar geen recht op zorgtoeslag. Een bij een (echt)paar inwonend kind boven de 18 heeft een zelfstandig recht op zorgtoeslag als het aan de voorwaarden voldoet. Gehuwden hoeven niet noodzakelijk bij elkaar te wonen om toch als partner voor de zorgtoeslag beschouwd te worden, voor anderen geldt dat wel.
De zorgtoeslag wordt per maand berekend en toegekend. De aanvraag over het jaar 2006 kan tot 1.4.2007 schriftelijk bij de Dienst Toeslagen worden gedaan (zie ook www.toeslagen.nl). De Dienst Toeslagen (0031 555 385 385) is onderdeel van de Belastingdienst, maar niet geÏntegreerd met het onderdeel dat de inkomstenbelasting heft. Zowel binnenlandse als buitenlandse belastingplichtigen komen – als ze Zvw verzekerd of verdragserechtigd zijn – in aanmerking voor de zorgtoeslag. De zorgtoeslag is (in Nederland) geen belastbaar inkomen. Aanvragen van zorgtoeslag boven een verwacht verzamelinkomen in 2006 van € 25.068 voor een alleenstaande en € 40.120 voor een paar, heeft geen zin: daarboven bestaat geen recht op zorgtoeslag. De maximale zorgtoeslag wordt € 403 voor de allerlaagste inkomens (alleenstaanden) en € 1155 voor een paar.
De zorgtoeslag voor Nederlanders in het buitenland 'Leuker kunnen we het niet maken'
(20.08.06) Buiten Nederland wonende actieve grenswerknemers en postactieven (pensionados) kunnen - als zij aan de inkomensgrenzen voldoen én in Nederland de zorgbijdragen betalen - in aanmerking komen voor de zorgtoeslag. Ger Essers van de FNV in Brussel vraagt zich af hoe het woonland de Nederlandse zorgtoeslag fiscaal zal kwalificeren.
Als deze - voor het woonland raadselachtige toeslag - wordt gekwalificeerd als een sociale uitkering dan zal dit in vele gevallen leiden tot belastingheffing in het woonland. In de belastingverdragen wordt de zorgslag uiteraard niet genoemd. Meestal geldt dan op basis van het zgn. restartikel (saldobepaling) dat de belastingheffing is toegewezen aan het woonland. Het woonland moet vervolgens op basis van de nationale belastingwetgeving nagaan of de zorgtoeslag belast kan worden. De zorgtoeslag kan ook gezien worden als een korting/teruggaaf van de verhoogde ZVW-bijdrage/premie. Als men de toeslag zo beschouwt, zou deze wel eens niet belast kunnen worden door het woonland. Eerder al hadden leden van de CDA-fractie aan minister Hoogervorst gevraagd of de zorgtoeslag is gedefiscaliseerd voor mensen die voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) verzekerd zijn en een zorgtoeslag ontvangen en die in België, Frankrijk, Duitsland, Spanje of Italië wonen en daar belasting betalen. 'Afhankelijk van de feiten en omstandigheden zijn bepaalde in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden en AOW-ers met ingang van 1 januari 2006 verzekerd op grond van de Zvw omdat de EEG Verordening 1408/71 de wetgeving van Nederland aanwijst als toepasselijke wetgeving waaraan deze personen zijn onderworpen. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden komen deze personen mogelijk in aanmerking voor een zorgtoeslag. Of het (nieuwe) woonland over de zorgtoeslag mag en kan heffen is afhankelijk van het belastingverdrag dat Nederland met het desbetreffende land heeft gesloten en van de nationale wetgeving van dat land. Daarbij is de kwalificatie van de zorgtoeslag voor het verdrag en de (buitenlandse) nationale wetgeving van groot belang. Mede vanwege de grote diversiteit aan fiscale nationale stelsels kan het voorkomen dat er verschillen zijn in de wijze waarop de diverse landen de zorgtoeslag fiscaal zullen gaan behandelen. Nederland heeft momenteel met ongeveer 80 landen een belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting gesloten.'
Print dit artikel
|
|
|

|
| |
Het befaamde formulier E-121
Met dit formulier, te verstrekken door het CVZ, gaat men naar de plaatselijke CPAM om te worden ingeschreven voor de ziektekostenverzekering van de Sécurité sociale, de Sécu. Niet-WAO’ers kunnen dan rekenen op een vergoeding van in het algemeen 70% van de gemaakte kosten. Ontvangers van WAO vallen in Frankrijk onder het 100% vergoedingentarief. Men zal zelf voor een aanvullende verzekering moeten zorgen bij bijvoorbeeld een Franse maatschappij. De basisvoorzieningen zijn overigens in Frankrijk wel ruimer, zoals tandartszorg.
Voor degenen die zich met het E-121 formulier (tweevoud) aanmelden: de plaatselijke CPAM's zijn veelal onbekend met de procedure. Vervoeg je daarom bij de overkoepelende CPAM in bij voorkeur de hoofdplaats van je departement waar ook een bureau voor immigrés is of een afdeling Service Relations Internationales. Je bent meestal direct aan de beurt. De beambten weigeren meestal contact op te nemen met CVZ voor een E-121 formulier "famille" voor de echtgenot(e); die moet men zelf in tweevoud aanvragen bij het CVZ. Verder meenemen met kopie: Uittreksel geboorteregister van ieder Uittreksel huwelijksakte (niet het trouwboekje) Attestation sur l'honeur Rekening EDF of GDF Inschrijving of jaarafrekening AOW Paspoort RIB De uittreksels, indien niet voorhanden, moeten worden aangevraagd bij de Burgerlijke Stand van de gemeenten. Sommige verlangen eerst ontvangst van de leges; er zijn er ook die toezenden, al dan niet met acceptgiro. De Attestation sur l'honeur is een zelf op te maken verklaring door de conjoint(e) dat er geen bijverdiensten/arbeidsinkomen is. Een RIB is een bankpapiertje waarop de bankgegevens staan (Relevé d'identité bancaire).
De club van gepensioneerde Nederlanders in het buitenland heeft enkele adviezen verstrekt over de behandeling van het formulier E-121 voor Nederlanders in Frankrijk die al verzekerd zijn bij de CPAM.
Wie van het CVZ in het kader van de Zorgverzekeringswet een formulier E-121 ontvangen heeft en al eerder was ingeschreven bij de Caisse Primaire d'Assurance Maladie (CPAM) en rechtstreeks in Frankrijk de premie aan de CPAM betaalt, kan aan deze Caisse vragen het formulier terug te zenden aan het CVZ, onder de aantekening dat betrokkene al bij de CPAM is verzekerd. Deze verzekerden zijn in de meeste gevallen Nederlanders die via de CMU (couverture maladie universelle) zijn verzekerd en zelf premie aan de CPAM betalen, of Nederlanders die in Frankrijk salaris of Frans pensioen ontvangen. Een andere ervaring: Inderdaad is Frankrijk volledig op de hoogte van de achtergronden van E 121-gangers. De CPAM hanteert namelijk verschillende regimes voor werkenden, gepensioneerden, WAO-ers en anderen. Ook de overgang van bijvoorbeeld een particuliere verzekering anno 2005 naar de ZVW anno 2006 ziet de CPAM als een verandering van regime.
Betrokkene dient zelf het initiatief te nemen om een verandering van verzekerings- en/of inkomensstatus (bijv. overgang van WAO naar AOW) aan de CPAM door te geven en een papieren carrousel in werking te zetten : verandering van regime en actualiseren van de Carte Vitale. Dat heeft alles te maken met mogelijke wijziging van de forfaitaire vergoedingsschalen (lees : kosten) bij overgang naar een ander regime.
Het formulier is door het CVZ gedeeltelijk ingevuld. De opengelaten vakken moeten als volgt worden ingevuld: A1 blanco laten. A5 blanco laten als het gezinslid een eigen formilier E-121 heeft ontvangen, zo niet dan invullen. Vermeld onder 5.5 het Nº d'immatriculation de l'assuré van het CPAM. Het CPAM dient de vakken B 8 en B10 in te vullen. Hierbij moeten 8, 8.1 en 8.2 worden aangekruist. In de informatiebrochure die door het CVZ met het formulier wordt meegezonden staat onder "Al Verzekerd" het volgende: 'Het is mogelijk dat U in Frankrijk al verzekerd bent tegen ziektekosten. Als de basis een Franse wettelijke regeling is (bijvoorbeeld omdat U in Frankrijk werkt of een Frans wettelijk pensioen ontvangt), dan zal de CPAM waarbij U het formulier inlevert, het formulier aan het CVZ terugzenden, met de mededeling dat U al verzekerd bent. U bent dan in Nederland geen bijdrage verschuldigd. Na ontvangst van dat bericht zal het CVZ de instantie waarvan U Uw pensioen of uitkering ontvangt, verzoeken de inhouding van de bijdrage stop te zetten en de inmiddels eventueel ten onrechte ingehouden bijdrage aan U terug te betalen.'
|
Nieuw telefoonnummer College voor Zorgverzekeringen Het hoofd van de afdeling Buitenland van het CVZ is niet zo blij met het circuleren op onze website en forum van het e-mailadres van de begripvolle en klantvriendelijke medewerkster mevrouw Van Loon. Haar baas drs. J. Luursema schrijft ons: 'Het is ook in uw belang en dat van vele andere klanten dat wij de vele vragen die er zijn niet alleen maar aan het adres van mevrouw Van Loon richten. Ik verzoek u dan ook om zoveel mogelijk gebruik te maken van het algemene nieuwe telefoonnummer 0031 10 428 9551 of van de speciale pagina op de buitenlandsite van het CVZ, www.buitenland.cvz.nl. Dar kan ook aan aanvraagformulier voor E-121 worden geprint, dat ingevuld en ondertekend gestuurd moet worden naar College voor zorgverzekeringen, Postbus 320, NL-1110 AH Diemen, Nederland. |
Gezinsleden wel of niet meeverzekerd
De zaken op een rijtje:
- Man Zvw verzekerd (bijv. krachtens werken in Nederland), de vrouw ook.
- Man Zvw verzekerd, de vrouw verzekerd onder het wettelijke stelsel van Frankrijk.
- Man Zvw verzekerd, de vrouw verdragsgerechtigd krachtens EG1408/71
- Man verdragsgerechtigd op grond van wettelijk pensioen uit Nederland krachtens EG1408/71, vrouw idem.
- Man verdragsgerechtigd op grond van wettelijk pensioen uit Nederland krachtens EG1408/71, vrouw verdragsgerechtigd als gezinslid van de man.
Hoe zit het nu met de bijdragen voor de Zvw?
- Man betaalt nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage. Vrouw: idem
- Man als onder 1. Vrouw betaalt volgens de regels van het Franse ziektekostenstelsel, de Sécurité sociale, uitgevoerd door de CPAM. Als het Franse stelsel tot medeverzekering van de man zou leiden, vervalt vermoedelijk de verzekeringsplicht Zvw voor de man.
- Man als onder 1. Vrouw betaalt een inkomensafhankelijke bijdrage krachtens EG1408/71 en krachtens de ZVW. De inkomensafhankelijke bijdrage bestaat uit drie delen (nominaal, zuiver voor ZVW bedoelde bijdrage en een deel bedoeld voor het AWBZ-deel). De ZVW is niet langer tot een wettelijke pensioen genietende verdragsgerechtigde beperkt, maar door wijziging op basis van de Aanpassings- en Invoeringswet ZVW zijn alle verdragsgerechtigde gezinsleden begrepen onder dit artikellid (ook gezinsleden van werknemers, zelfstandigen, werklozen en aanvragers van een pensioen).
- Beiden betalen ieder voor zich de inkomensafhankelijke bijdrage voor verdragsgerechtigden.
- Als onder 4 voor man en vrouw.
Merk op dat voor regeling van de betalingsplicht voor verdragsgerechtigde gezinsleden nog het nodige moet worden aagepast in de EG1408/71. Het CVZ verwachtte dat dit voor 1.1.2006 zou gebeuren, maar helderheid op dit punt bestaat nog steeds niet.
Print dit artikel
|
|
|

|
| |
|
Gepensioneerden verliezen proces
(04.02.08) De Amsterdamse rechtbank heeft op 1 februari de bezwaren van in het buitenland wonende Nederlanders over de uitvoering van de Zorgverzekeringswet ongegrond verklaard. De rechtbank meent niet dat er een recht van keuze kan zijn en verwerpt het bezwaar dat de berekening van de woonlandfactor niet correct is. De uitspraak is hier te lezen.
Zorgverzekering buitenlanders: politiek moet huiswerk overdoen
(22.10.07) Oud-Eurocommissaris Frans Andriessen en zijn medestrijder dr. J. Ramaer tegen het kwaad van de Zorgverzekeringswet voor Nederlanders in het buitenland, hebben na enige tijd van radiostilte de zaken weer eens op een rijtje gezet. In het oktober-nummer van het NederBelgisch Magazine vragen zij zich af of de Nederlandse overheid nu eindelijk zijn huiswerk gaat overdoen.
De laatste ontwikkelingen: tegen het CVZ (College voor Zorgverzekeringen) werd door velen bezwaar aangetekend tegen de opgelegde verplichting om formulier E121 in te dienen en zich aan te melden bij het ziekenfonds in eigen land. Het CVZ verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Bovendien werd bezwaar gemaakt tegen een 'voorlopige afrekening van het CVZ, waarbij velen werden gesommeerd bij te betalen omdat in 2006 te weinig 'bijdragen' van het (bedrijfs)pensioen afgetrokken zouden zijn. Ook dit bezwaar werd afgewezen.Tegen beide afwijzingen is nu bij de rechtbank beroep aangetekend. Tegen de SVB (Sociale Verzekeringsbank) werd door velen bezwaar aangetekend omdat er op de AOW uitkeringen 'buitenlandbijdragen' werden ingehouden. Tegen de afwijzende 'beschikking op bezwaar' werd eveneens beroep aangetekend bij de rechtbank. In alle gevallen gaat het om proefprocedures aan de hand van zeven ingediende beroepschriften. Dat betekent dat de uitspraken van de rechter zullen gelden voor alle getroffen gepensioneerden.' Volgens de twee in België wonende activisten is er nu een goed contact met de Tweede Kamer, er wordt althans geluisterd naar de klachten en suggesties van de stichtingen en verenigingen van gepensioneerden in het buitenland. Dit is van belang omdat er in het najaar een zitting over de zorgwet komt. De minister zal dan een 'masterplan' voorleggen. De groep van 100.000 gepensioneerden buiten Nederland wordt in de opsomming van groepen verzekerden achteloos vergeten.'In den Haag houdt de wereld blijkbaar nog steeds op bij Roosendaal', aldus Andriessen en Ramaer. Toch moet er een opening gemaakt kunnen worden. Immers, op 14 mei schreef de minister een brief aan de Kamer en daarin staat o.a.: 'Het belang en de keuzevrijheid van patiënten staan centraal. Maar niet onvoorwaardelijk. Uitzonderingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien blijkt dat het bestaan van grensoverschrijdende zorg een risico oplevert voor de financiële houdbaarheid van het systeem als geheel. Solidariteit is en blijft een kernbegrip bij het vormgeven van gezondheidszorgbeleid, ook in Europese context. Dat is de uitdaging waarvoor wij in Europa staan…..etc.' Als de minister deze beginselen eens toepaste op die 100.000 vergeten medeburgers. Keuzevrijheid is hun ontnomen, zo ook solidariteit.' Een brief van een verzekeraar aan een pensioentrekker meldt achteloos dat de solidariteit nu tot het verleden behoort. Een citaat: Er was '…voorheen sprake van een solidariteitsheffing onder 'jongeren' waardoor de premie voor 'ouderen' (via een wettelijke maatregel) kunstmatig laag gehouden kon worden. Vanaf 1 januari jl. moeten ouderen zelf een dekkende premie gaan betalen.' Het is ietwat tragikomisch dat de Staat – dank zij het sanctioneren van de contractbreuk – zichzelf opzadelde met ca. 40.000 ex-particulier verzekerden die zij dwong tot aansluiting bij het collectieve systeem.Die kosten haar nu geld. Eerst dacht zij winst te maken, maar de rechter dwong haar op 31 maart 2006 tot het invoeren van de woonlandfactor, die de winst in verlies deed omslaan. Zoals bekend wordt de woonlandfactor verkeerd berekend, dus er is een kans dat deze verder ten nadele van de staat gaat veranderen. Tot nu toe zijn vele pogingen om met de minister serieus in gesprek te komen vergeefs geweest. Wellicht is dit een gevolg van het feit dat de rammelende toepassingswet heel veel problemen oproept. Men denke aan het keuzerecht, de woonlandfactor, solidariteit, alsook de particuliere contracten - alles het gevolg van een bijzonder slecht doordachte wet. Vanzelfsprekend is de minister door het bestuur in een uitvoerig schrijven met bijlagen op het een en ander geattendeerd. De Europees-rechtelijke aspecten komen in Amsterdam ook aan de orde: strijdigheid met de vrijheid van migratie en vestiging, onjuiste interpretatie en toepassing van de richtlijn die voorziet in de coördinatie van de sociale verzekeringen – op basis van vrijwilligheid in plaats van dwang (EU richtlijn 1408/71). Overheid en politiek in den Haag zullen hun huiswerk over moeten maken. Wellicht kan de uitspraak van de rechter in Amsterdam daarbij helpen, aldus de twee scribenten
Nieuwe proefprocedures bij de Rechtbank Amsterdam
(14.09.07) Bij de Rechtbank Amsterdam zijn tien nieuwe proefprocedures gestart over zowel het keuzerecht als de woonlandfactor, zo meldt de advocaat van de verenigingen van gepensioneerden in het buitenland.
Bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) lagen van vijf appellanten uit de oude beroepsprocedures nog bezwaren tegen de inhouding van de Zvw-bijdrage op hun AOW-uitkering. Na een beslissing op bezwaar van de SVB is daar nu beroep tegen ingesteld. Daarnaast zijn twee personen die net 65 jaar zijn geworden bereid gevonden deel te nemen aan de proefprocedures. Zij hebben een (eerste) besluit van de SVB ontvangen waarin wordt aangegeven dat zij recht hebben op een AOW-uitkering en dat een Zvw-bijdrage gaat worden ingehouden op hun uitkering. Daar is bezwaar tegen aangetekend en tegen de beslissing op bezwaar is nu ook beroep ingesteld. Daarnaast heeft het CVZ besluiten genomen die voor bezwaar vatbaar zijn. Dat zijn de voorlopige jaarafrekeneningen voor 2006. Drie appellanten uit de oude beroepsprocedures hadden zo'n voorlopige jaarafrekenening ontvangen. Daar is bezwaar tegen aangetekend en nu is tegen de beslissingen op bezwaar beroep ingesteld. Alle beroepen zijn ingesteld bij de Rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht. In alle procedures is een verzoek tot versnelde behandeling ingediend en waar mogelijk is om voeging van de zaken verzocht, zodat CVZ én SVB in één zaak aan "dezelfde tafel" zitten. Het is nu aan de Rechtbank te bepalen of zij de verzoeken willen inwilligen. Bij versnelde behandeling zal de Rechtbank zelf de verkorte termijnen bepalen. Hoe snel één en ander zal verlopen na eventuele inwilliging van het verzoek hangt dus van de Rechtbank af. Ter indicatie: de Raad van State heeft vorig jaar het verzoek om versnelde behandeling ingewilligd. Bij de Raad van State zijn vorig jaar op 18 september beroepschriften ingediend en vond op 19 december de zitting plaats.
Geanonimiseerde versies van de besluiten op bezwaar en de beroepschriften kunt u hier vinden: - CVZ: beslissing op bezwaar, beroepschrift - SVB: beslissing op bezwaar, beroepschrift_ Deze zijn representatief voor de beslissingen op bezwaar en de beroepschriften in de andere proefproceudures.
Raad van State doet 'betreurenswaardige' uitspraken
(25.04.07)Woensdag 25 april heeft de Raad van State uitspraak gedaan in alle beroepszaken over het keuzerecht en de woonlandfactor, kwesties die verband houden met de invoering van de Zorgverzekeringswet Zvw. Deze beroepen waren gericht tegen de brieven van het College voor Zorgverzekeringen CVZ aan individuele gepensioneerden in het buitenland, waarin werd meegedeeld dat hij onder de Zvw bijdrageplichtig is en wat de hoogte van de woonlandfactor is. In alle zaken heeft de Raad van State geoordeeld dat het CVZ de ingediende bezwaren niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Na vele maanden is de Raad van State niet verder gekomen dan een oordeel over een vormkwestie. De Stichting die de belangen van Nederlandse gepensioneerden in het buitenland behartigt, vindt de uitspraken dan ook 'betreurenswaardig'.
Het CVZ had de brieven waartegen de bezwaren zich richtten niet als voor beroep vatbare besluiten moeten aanmerken. Volgens de Raad van State hebben de brieven geen rechtsgevolgen, maar bevestigen zij slechts wat de positie van de betrokkene volgens de wet is. Het gevolg van de uitspraken van de Raad van State is dat nieuwe bezwaar- en beroepsprocedures moeten worden opgestart tegen besluiten waarbij daadwerkelijk inhoudingen zijn gepleegd op pensioenen uit hoofde van de Zorgverzekeringswet. Weliswaar kunnen in die nieuwe beroepszaken dezelfde inhoudelijke argumenten worden aangevoerd als in de door de Raad van State besliste zaken, maar een en ander betekent dat een vertraging van vele maanden dreigt te ontstaan, zo legt het Stichtingsbestuur uit.
De uitspraken van de Raad van State zijn om meerdere redenen betreurenswaardig, meent de advocaat van de Stichting in een toelichting op de teleurstellende uitspraken van het rechtscollege. 'Ten eerste omdat vorig jaar door de vertegenwoordigers van de Stichting en vertegenwoordigers van het CVZ uitvoerig overleg is gevoerd over de procedurele afhandeling van de bezwaren tegen de verplichte aansluiting bij de ziekenfondsen in de woonlanden (anders gezegd: de ontkenning van het keuzerecht door de Nederlandse overheid) en tegen de woonlandfactor. Doel van dit overleg was tot een efficiënte en snele afhandeling van de aan te spannen proefprocedures over het keuzerecht en de woonlandfactor te komen. Het CVZ was uitdrukkelijk bereid daaraan mee te werken, hetgeen van de zijde van de Stichting uiteraard zeer op prijs is gesteld. Van de zijde van het CVZ is toen uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat de hiervoor genoemde brieven als voor beroep vatbare besluiten moesten worden aangemerkt. De proefprocedures zouden dan ook tegen deze brieven moeten worden gericht, aldus de vertegenwoordigers van het CVZ. De vertegenwoordigers van het CVZ baseerden hun standpunt op rechtspraak over ontvankelijkheidsvraagstukken van de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in Nederland in beroepszaken inzake sociale zekerheid. De advocaten van de Stichting hebben bij die gelegenheid aangegeven dat andere rechters in het verleden anders hadden geoordeeld over ontvankelijkheidsvraagstukken dan de Centrale Raad van Beroep. Dit was geen reden voor de vertegenwoordigers van het CVZ om het eigen standpunt bij te stellen. Conform de vervolgens gemaakte procedureafspraken heeft het CVZ dan ook de bezwaarschiften in de door de Stichting aanhangig gemaakte proefprocedures ontvankelijk verklaard en inhoudelijk beoordeeld.'
De Raad van State heeft expliciet te kennen gegeven dat hij niets te maken heeft met eventuele procedureafspraken en zelfstandig geoordeeld dat geen beroep mogelijk is tegen de genoemde brieven van het CVZ. Daarmee geeft de Raad van State eigenlijk aan dat het CVZ ten onrechte de gepensioneerden heeft opgeroepen om hun bezwaarschriften te richten tegen zijn brieven. Dit verklaart ook waarom het CVZ door de Raad van State in de kosten van de beroepsprocedures is veroordeeld. Dat betekent niet dat het CVZ te kwader trouw heeft gehandeld, maar wel dat onnodig zeer veel tijd is verloren en namens de gepensioneerden onnodige proceskosten zijn gemaakt (bedacht moet worden dat de door de Raad van State uitgesproken proceskostenveroordeling een onbeduidend bedrag betreft).
Die vertraging is nog eens vergroot door het feit dat halverwege de beoordeling van de bezwaren door het CVZ, het Ministerie van Volksgezondheid heeft aangedrongen op inschakeling van het kantoor van de landsadvocaat. Mede om die reden zijn de besluiten op de bezwaarschriften gericht tegen het keuzerecht enkele maanden later genomen dan oorspronkelijk door het CVZ was beoogd. Ook de landsadvocaat heeft kennelijk niet aangegeven dat het CVZ procedureel op het foute spoor zat door bezwaar open te stellen tegen de eerdergenoemde brieven. Dit maakt de uitkomst van de beroepsprocedures voor de Raad van State extra betreurenswaardig.
Ten derde is betreurenswaardig, vindt de advocaat van de Stichting, dat de Raad van State, in de wetenschap dat sprake was van een spoedprocedure over een principiële aangelegenheid, in de zaak over het keuzerecht eerst vér na het verstrijken van de wettelijke termijn uitspraak heeft gedaan. De beroepen zijn ingediend in september 2006. Niets had de Raad van State belet om reeds direct na indiening van de beroepen de vraag op te werpen of wel sprake was van voor beroep vatbare besluiten van het CVZ. In dat geval was veel minder tijd verloren gegaan.
Pijnlijk is dat de Raad van State, die sedert 1 januari 2007 overigens als gevolg van een wetswijziging niet langer de bevoegde rechter is in beroepszaken over de Zorgverzekeringswet, gemeend heeft juridisch doctrinaire gronden zwaarder te moeten laten wegen dan het recht op een effectieve en snelle rechtsbescherming, en dat in een zaak waarin de belangen van vele tienduizenden personen van gevorderde tot zeer hoge leeftijd in het geding zijn. De Raad van State is tijdens de diverse zittingen met klem op die laatste belang gewezen, maar heeft daaraan blijkens de uitspraken geen enkel gewicht toegekend.
Wat is de praktische betekenis van de uitspraken van de Raad van State? Zoals de Raad van State in zijn uitspraken aangeeft, kan iedere pensioengerechtigde bezwaar aantekenen tegen het besluit tot inhouding van een Zvw-bijdrage op zijn (AOW-)pensioen. Een dergelijke besluit is wél een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Een aantal gepensioneerden heeft reeds bezwaarschriften ingediend tegen deze besluiten. De afhandeling van deze bezwaren is in alle gevallen opgeschort in afwachting van de uitkomst van de proefprocedures voor de Raad van State. De Stichting zal opnieuw in overleg treden met het CVZ en de Sociale Verzekeringsbank met het doel te bewerkstelligen dat alsnog zo spoedig mogelijk wordt beslist op de aanhangige bezwaren in een aantal te selecteren proefprocedures. Teneinde de vertraging zoveel mogelijk te beperken, zullen in beginsel de nieuwe proefprocedures onder de namen van dezelfde personen worden gevoerd als de proefprocedures die voor de Raad van State zijn gevoerd. Helaas is opnieuw een beslissing op bezwaar nodig van de bevoegde overheidsinstantie, alvorens beroep bij de rechter kan worden ingesteld. Het is zaak dat de verantwoordelijke overheidsinstanties deze beslissingen op bezwaar zo spoedig mogelijk nemen. Gelet op het ongelukkige verloop van de procedures tot nu toe, mag van de overheidsinstanties worden verwacht dat zij daarbij maximale medewerking verlenen.
Nadat op de bezwaren in de nieuwe proefprocedures is beslist, zal beroep moeten worden ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam. In beginsel kunnen daarbij dezelfde processtukken in het geding worden gebracht als eerder bij de Raad van State. Indien de overheidsinstanties en de Rechtbank meewerken, zouden mogelijk nog voor het eind van 2007 uitspraken beschikbaar kunnen zijn in de nieuwe proefprocedures. Al met al betekenen de uitspraken van de Raad van State derhalve een tijdsverlies van vele kosten, en in feite onnodige extra proceskosten.
'De Stichting is echter vastberaden op de ingeslagen weg voort te gaan, en voor de Amsterdamse Rechtbank nieuwe proefprocedures te voeren met het doel alsnog rechterlijke uitspraken te krijgen over het keuzerecht en de geldigheid van de woonlandfactor', aldus de Stichting.
Procedure Raad van State Namens het CVZ zijn bij de Raad van State verweerschriften ingediend inzake de proefprocedures betreffende de woonlandfactor. Een geanonimiseerde versie van één van de verweerschriften is hier te lezen. Op 27 maart vindt bij de Raad van State de zitting plaats waar de proefprocedures inzake betreffende de woonlandfactor zullen worden behandeld. |
Raad van State buigt zich over keuzerecht
(19.12.06) Op 19 december heeft bij de Raad van State in Den Haag de zitting plaatsgevonden in de proefprocedures over het keuzerecht voor Nederlanders die in het buitenland wonen en te maken hebben gekregen met de nieuwe Zorgverzekeringswet. Een geanonimiseerde versie van de voorgedragen pleitnota is hier te vinden (PDF). De Raad van State heeft aangegeven over zes weken uitspraak te willen doen (dat is op 30 januari); het staat de Raad van State echter vrij van die termijn af te wijken, zo bericht de advocaat van vier Nederlanders in het buitenland.
Verweer landsadvocaat tegen keuzerecht
(16.11.06) De landsadvocaat heeft namens het CVZ verweer gevoerd in de proefprocedures betreffende het keuzerecht. Een geanonimiseerde versie van het verweerschrift tegen het beroepschrift van één van de in Spanje woonachtige appellanten in die proefprocedures is hier als PDF.beschikbaar.
De Raad van State zal de vier beroepschriften in de proefprocedures betreffende het keuzerecht behandelen tijdens een zitting op 19 december aanstaande. Het CVZ heeft een besluit op de bezwaren genomen in de proefprocedure betreffende de hoogte van de woonlandfactor. Een geanonimiseerde versie van het besluit op bezwaar gericht aan één van de appellanten in die proefprocedures vindt men hier als PDF. Hiertegen zal door de advocaten beroep worden ingesteld bij de Raad van State.
Bezwaarschrift woonlandfactor ongegrond verklaard
(10.11.06) Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) heeft een bezwaarschrift tegen de hantering van de woonlandfactor bij de berekening van de in Nederland te betalen AWBZ-premie ongegrond verklaard. Lees hier de motivering en huiver van het Orwelliaanse taalgebruik.
Procedure Zorgverzekering versneld
(01.11.07) De mondelinge behandeling van de proefprocedure over het keuzerecht vindt medio december plaats door de Raad van State, die het verzoek om een snelle behandeling heeft gehonoreerd. Het CVZ (College voor Zorgverzekeringen) heeft voor het verweer de landsadvocaat ingeschakeld, die erop heeft aangedrongen dat alle eventuele verdere beroepszaken over het keuzerecht worden aangehouden totdat in proefprocedures is beslist.
In de proefprocedure over de hoogte van de bijdrage is het wachten nog altijd op de besluiten op bezwaar in de proefprocedures. Ook hier is de landsadvocaat inmiddels ingeschakeld. Hoewel door de vertegenwoordigers van CVZ reeds in de zomer een besluit op bezwaar was toegezegd, is bij de afhandeling van de bezwaren binnen CVZ vertraging opgetreden, die vermoedelijk valt toe te schrijven aan bemoeienis van het Ministerie van Volksgezondheid. Nog onlangs is er telefonisch contact geweest met de landsadvocaat, en deze bevestigde dat de besluiten naar verwachting deze week worden verzonden. Wanneer de besluiten er eenmaal zijn, zal de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden Buitenland zo snel mogelijk beroepschriften opstellen en indienen. Ook in dit geval zal zij de Raad van State weer om een versnelde behandeling vragen.
Raad van State om oordeel gevraagd over keuzerecht
(18.09.06) Op deze website is het volledige beroepsschrift te lezen van een Nederlander uit Belgie, die de Raad van State verzoekt om een versnelde behandeling van de vraag of er keuzerecht bestaat, zoals veel Nederlanders in het buitenland verlangen bij de invoering en uitwerking van de Zorgverzekeringswet. Volgens kenner Jan de Voogd zullen er op dit punt nog meer proefprocessen komen andere processen over de hoogte van de verlangde verdragsbijdrage.
Daarnaast zullen weer anderen op eigen gelegenheid, waarschijnlijk ook met een geheel eigen argumentatie, beroepsprocedures aanspannen. Het valt te verwachten dat ook processen tegen Nederlandse verzekeraars zullen volgen wegens onterecht opzeggen van de particuliere verzekering of te sterk verhoogde premies. De uitkomst van de proefprocessen over keuzerecht zijn daarbij van groot belang. Af te wachten is of de bestuursrechter direct zelf uitspraak zal doen, danwel dat hij zogenaamde prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie zal voorleggen, aldus Jan de Voogd in het forum van deze website.
Stichting schrijft Tweede Kamer over verkeerde berekening woonlandfactor: Hoogervorst voert rechterlijke uitspraak niet uit (27.06.06) Bij bestudering van de regeling van de woonlandfactor is de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden Buitenland tot de conclusie gekomen dat het daarin vervatte voorstel van minister Hoogervorst geen dan wel onvoldoende invulling geeft aan het door de rechter in zijn vonnis bepaalde. De Stichting heeft dan ook besloten daartegen formeel bezwaar aan te tekenen. De advocaat van de Stichting heeft de Landsadvocaat enkele voorstellen gedaan. De Tweede Kamer is gevraagd om steun 'teneinde de onaanvaardbare gevolgen van deze wetgeving ongedaan te maken.'
De brief van de advocaat (de weledelgestrengen tutoyeren elkaar), Wonen en leven in Frankrijk heeft sommige passages vet gezet:
Hierbij kan ik je het formele standpunt van het bestuur van de Stichting doen toekomen met betrekking tot de wijziging van de Regeling Zorgverzekering ter uitvoering van kortgedingvonnis van 31 maart 2006 (de "Wijzigingsregeling"). De Stichting meent dat het toepassen van een woonlandfactor, zoals geïntroduceerd in de Wijzigingsregeling, op zich een passende manier is om rekenschap te geven van de verschillen in verstrekkingenpakketten, mede in vergelijking met de Nederlandse situatie, waarop gepensioneerden in hun respectievelijke woonlanden aanspraak kunnen maken. Het had echter om diverse redenen voor de hand gelegen wanneer de Minister de woonlandfactoren had bepaald op basis van een vergelijking van verstrekkingenpakketten aan gepensioneerden. Omgekeerd is onbegrijpelijk, en juridisch ook niet verdedigbaar, dat de Minister de woonlandfactoren heeft gebaseerd op een vergelijking van de gemiddelde verstrekkingen aan de gehele bevolking.
De eerste reden is dat de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden, althans in Nederland, zeer veel hoger zijn dan de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de totale bevolking. Dit laat zich voor een belangrijk deel verklaren door het - de Minister uiteraard zeer wel bekende - feit dat de AWBZ-verstrekkingen, die meer dan de helft van de totale kosten van de zorg vertegenwoordigen, voor het overgrote deel uitsluitend aan gepensioneerden ten goede komen. Juist op dat punt onderscheidt het Nederlandse zorgstelsel zich van het buitenland. Een in Nederland wonende gepensioneerde mag er, na jarenlang hoge AWBZ-premies te hebben betaald, op vertrouwen dat hij aanspraak kan maken op het volledige AWBZ-pakket. De in het buitenland wonende gepensioneerde, die eveneens jarenlang AWBZ-premies heeft betaald (daarom valt hij immers onder de regeling), mag dat niet. Door de woonlandfactor te baseren op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking, benadeelt de Minister derhalve wederom specifiek de gepensioneerden. Daarmee staat de Wijziging tevens op gespannen voet met de strekking van het dictum van het kortgedingvonnis, voor zover het daarmee al niet expliciet in strijd is (zie onder). Het nadeel dat gepensioneerden ondergaan omdat de woonlandfactor wordt gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking is navenant. In nagenoeg alle gevallen beloopt het verschil vele tientallen procenten. De meest schrijnende gevallen zijn Noorwegen en Italië, waar de woonlandfactor op basis van kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden maar liefst 52% lager is dan de door de Minister gekozen woonlandfactor. Anders gezegd: de bijdrage valt voor gepensioneerden in die landen maar liefst 104% hoger uit door de keuze van een niet-representatieve woonlandfactor. Het lijdt geen twijfel dat de Minister zich van dit verschil bewust moet zijn geweest. Het is immers ondenkbaar dat het Ministerie niet tevens de gevolgen heeft doorgerekend van de keuze voor de wél voor de hand liggende woonlandfactor.
De keuze voor de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking is eens te meer onaanvaardbaar, omdat tussen de lidstaten in het kader van Verordening 1408/71 terzake van verstrekkingen aan gepensioneerden wordt afgerekend op basis van gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden. Bij de keuze voor een woonlandfactor gerelateerd aan de grondslag voor de onderlinge verrekeningen tussen gepensioneerden wordt derhalve afgerekend op een basis die rechtstreeks samenhangt met de hoogte van de betalingen die Nederland dient te verrichten terzake van bijdrageplichtigen. Doordat de Minister heeft gekozen voor een nadelige en niet-representatieve woonlandfactor komt het onverminderd voor dat Nederland "winst" maakt op de bijdragen die aan gepensioneerden in rekening worden gebracht. Die winst is het meest excessief bij de in Noorwegen wonende gepensioneerden; dezen betalen maar liefst tot € 2.936 meer per jaar dan Nederland aan Noorwegen moet afdragen. Het feit dat onder de Wijzigingsregeling gepensioneerden in sommige landen zelfs meer moeten gaan betalen dan onder de oorspronkelijke regeling (en zelfs meer dan in Nederland wonende verzekerden), terwijl de gemiddelde waarde van de verstrekkingen waarop zij aanspraak kunnen maken minder is dan de gemiddelde waarde van verstrekkingen aan gepensioneerde verzekerden in Nederland, valt uitsluitend en geheel toe te schrijven aan de keuze voor een manifest foute woonlandfactor. Indien de Minister had gekozen voor de woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden, zou in geen enkel geval een gepensioneerde méér zijn gaan betalen. Het is immers onverminderd een vaststaand feit dat de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden in Nederland veel tot vele malen hoger zijn dan in eender welk ander Europees land (zelfs dan Noorwegen). Als gezegd valt dat bijna geheel toe te schrijven aan de AWBZ.
De keuze voor een woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden had voorts eens te meer voor de hand gelegen omdat die factor eenvoudig valt te berekenen op basis van de cijfers die door de Europese Commissie worden geverifieerd en goedgekeurd en die algemeen bekend worden gemaakt. Het Ministerie had zich de bijzondere inspanningen om gemiddelde kosten van verstrekkingen van de diverse woonlanden aan de totale bevolking te (re)construeren eenvoudig kunnen besparen door de openbare, door de Commissie geaccordeerde cijfers te nemen.
Ten aanzien van de verenigbaarheid van de Wijzigingsregeling met het kortgedingvonnis geldt het volgende. De President heeft de Staat gelast na te gaan in hoeverre de kosten van verstrekkingen voor AWBZ-achtige verstrekkingen in de respectievelijke woonlanden aan de Staat in rekening worden gebracht. Direct gevolg van de uitspraak is dat de Staat een korting moet toepassen ten belope van de totale AWBZ-component van de oorspronkelijke bijdragen ten aanzien van pensioengerechtigden in landen die dergelijke verstrekkingen niet kennen (althans niet AWBZ-achtige verstrekkingen die onder het regime van Verordening 1408/71 vallen). Voorbeelden zijn Spanje, Frankrijk en België. De Wijzigingsregeling leidt evenwel tot een korting op de oorspronkelijke bijdrage die in het geval van Frankrijk en België aanzienlijk minder is dan het bedrag van de AWBZ-component. Doordat de Staat voorts in het geheel niet (eens) heeft gepoogd om aan te tonen dat aan de eisen van het kortgedingvonnis is voldaan, staat voldoende vast dat de Staat het dictum van het vonnis schendt. Dit zou anders zijn geweest indien de Minister een woonlandfactor gebaseerd op de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden zou hebben genomen. Dit is een derde reden waarom moet worden geoordeeld de Minister ten onrechte de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking als maatstaf heeft genomen.
Namens de Stichting kan ik berichten dat de Stichting bereid is alle procedures met betrekking tot de hoogte van de bijdrage in te trekken en haar leden en belanghebbenden actief uit te dragen dat de hoogte van de bijdrage als zodanig acceptabel is, indien de Staat c.q. Minister alsnog de correcte woonlandfactor introduceert. De Stichting is van oordeel dat in dat geval een oplossing is bereikt die voor alle gepensioneerden acceptabel zou moeten zijn. Houdt de Staat daarentegen onverkort vast aan de thans geïntroduceerde woonlandfactor, dan zal de Stichting de Wijzigingsregeling met alle mogelijke middelen, waaronder juridische procedures, blijven bestrijden en zal de Stichting actief blijven uitdragen dat de Minister wederom welbewust een regeling heeft getroffen die specifiek tot doel en effect heeft dat "verdragsgerechtigde" gepensioneerden sterk worden benadeeld.
Ten slotte zou ik nog jouw aandacht willen vestigen op art. 6.3.1. lid 4 van de oude Regeling Zorgverzekering. Deze bepaling voorzag in een vergoeding aan WAO- en VUT-gerechtigden ter grootte van 6,5% van hun uitkering (ter compensatie van de inkomensafhankelijke bijdrage) op grond van art. 46 van de Zorgverzekeringswet. Nu die bepaling door de wijziging van de Regeling Zorgverzekering is komen te vervallen, vervalt daarmee ook de vergoeding. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn geweest van de invoering van de woonlandfactor. Wellicht dat de vergoeding (net als de zorgtoeslag) gemitigeerd zou moeten worden door toepassing van de woonlandfactor daarop. Het volledig schrappen van die vergoeding brengt daarentegen een ongelijkheid teweeg die zelf weer strijdig zou kunnen zijn met art. 39 / 18 EG. Mag ik ervan uitgaan dat dit een omissie betreft die zal worden gecorrigeerd, of is deze bepaling bewust geschrapt? Wanneer dat laatste het geval is, dan geldt daarvoor - voor wat betreft de (procedurele) opstelling van de Stichting - hetzelfde als voor de invoering van de juiste woonlandfactor.
Ministerie Hoogervorst toch in beroep
(01.05.06) De landsadvocaat blijkt toch hoger beroep te hebben aangetekend tegen de uitspraak van de Haagse voorzieningenrechter, waarbij o.m. werd bepaald dat minister Hoogervorst van Volksgezondheid met een ander bijdragestelsel voor de Zvw moet komen voor de Nederlanders die in het buitenland wonen. |
Nu kort geding tegen de Staat
(01.02.06) Na het kort geding tegen drie Nederlandse verzekeraars, spant de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland een nieuw kort geding aan, nu tegen de Nederlandse staat (het ministerie van Volksgezondheid van minister Hoogervorst). Het geding dient op vrijdag 3 maart voor de Haagse rechtbank. Hoewel de actie vooral een aangelegenheid is van in Spanje wonende Nederlanders, zal een uitspraak ook van belang zijn voor de overige Nederlanders in het buitenland. De integrale dagvaarding is hier te vinden.
De inzet van de procedure is het via de rechter bevestigd krijgen van vrijheid van keuze tussen particuliere verzekering en ziekenfondsverzekering voor in het buitenland wonende gepensioneerden, ook voor diegenen die zich nu al hebben laten inschrijven in het ziekenfonds van hun woonland. Die keuzevrijheid bestaat nu niet, althans niet in de ogen van minister Hoogervorst van Volksgezondheid. Zij zijn nu verplicht zich dubbel te verzekeren (ziekenfonds en particulier) tegen exorbitant hoge kosten om dezelfde dekking te krijgen als in 2005. Zij moeten nu een tot ruim € 5000 oplopende bijdrage p.p.p.j. gaan betalen aan Nederland voor uitsluitend Spaanse ziekenfondsdekking, schrijven voorzitter en penningmeester van de stichting in een toelichting. In de procedure wordt gevorderd die bijdrage voorshands buiten werking te stellen als men kiest voor een particuliere verzekering.
Zij wijzen erop dat hun gang naar de rechter volledig los staat van een initiatief dat recentelijk werd genomen door een lid van de Tweede Kamer en aangekondigd in de pers om door middel van verzoekschrift de minister op andere gedachten te bewegen. 'Wij kiezen het zekere voor het onzekere', aldus de twee. Zij doelen op een verzoek van het CDA-kamerlid mevrouw Smilde die minister Hoogervorst heeft gevraagd te onderzoeken of eenmalig een keuze kan worden toegestaan: particulier of ziekenfonds. Hoogervorst zal vóór 1 maart met een nota komen.
De twee bestuursleden Van der Wiel en Overwater verder: 'Niet alleen de nieuwe wetgeving maar ook het vonnis in het proces tegen de ziektekostenverzekeraars heeft geleid tot blijvende grote verwarring met betrekking tot het aanbod, de premies en vooral de polisvoorwaarden evenals de interpretatie die daaraan moet worden geven. 'In principe biedt het woonlandpakket in Spanje, de "Seguridad Social”, naar de letter, alle elementaire zorg. Een particuliere verzekering is niet strikt noodzakelijk om van deze zorg verzekerd te zijn. Maar behandeling in een Nederlands ziekenhuis is niet gedekt. Althans niet zonder expliciete toestemming van de Seguridad Social. Die wordt echter nooit gegeven omdat voor de Spaanse ziekenfondszorg met Nederland vaste bedragen zijn afgesproken per persoon. En AWBZ-dekking, zoals voor voormalig Ziekenfondsverzekerden, wordt in Spanje al helemaal niet gegeven door het Spaanse Ziekenfonds, AWBZ-voorzieningen zoals in Nederland kent men hier niet.'
Ook in Frankrijk zal men voor zorg in Nederland, behoudens spoedeisende gevallen, toestemming van de CPAM moeten vragen. Aangeraden wordt om bij een bezoek naar het buitenland - Nederland hier - zich te voorzien van een formulier E-111, het 'vakantieformulier' dat vorig jaar in een Europees jasje is gestoken.
De toelichting op het kort geding: 'In vele Nederlandse vervangende particuliere polissen die nu worden aangeboden staat een z.g. samenloopregeling d.w.z. dat slechts aanvullende dekking wordt verleend op het woonlandpakket (voor die onderdelen dus die niet door het woonlandpakket worden gedekt). Wat dan als dekking overblijft via de particuliere polis is volstrekt onduidelijk.Het is absoluut zaak de particuliere ziektekostenverzekeraar aan te schrijven en schriftelijk te vragen wat per saldo specifiek door de aanvullende particuliere polis in het woonland wordt gedekt. Vooral moet worden gevraagd of de volgende onderdelen gedekt zijn: Nederlandse huisarts, Nederlandse specialist, particulier ziekenhuis, alle voorgeschreven medicamenten, eventuele behandeling in een Nederlands ziekenhuis zonder expliciete toestemming van het Spaanse ziekenfonds.'Dikwijls wordt ook de vraag gesteld of men zich nu wel of niet moet laten inschrijven bij het Spaanse ziekenfonds. Indien u zich niet inschrijft en u hebt geen particuliere ziektekostenverzekering, dan bent u in principe onverzekerd. Wanneer u zonder ziekenfondsdekking wel een particuliere aanvullende ziektekostenverzekering heeft of kan sluiten die verwijst naar het woonlandpakket, dan heeft u geen dekking voor de onderdelen van het woonlandpakket.'
'Centraal in onze rechtzaak tegen de Staat zal staan de keuzevrijheid tussen ziekenfonds of particulier en de niet verschuldigdheid van een nominale, inkomensafhankelijke en AWBZ-bijdrage aan Nederland als men zich alleen particulier verzekert. Bij een toewijzend vonnis kunt u kiezen voor de particuliere polis en dan zouden de particuliere verzekeringen zonder verwijzing naar het woonlandpakket weer volledig in werking moeten treden. Mocht in onze rechtzaak een voor ons positief vonnis uitgesproken worden en u heeft zich reeds aangemeld bij de Seguridad Social, dan behoeft u niet te wanhopen. U kunt zich laten uitschrijven.' In de nieuwe wetgeving staat opgenomen dat uw (op 31 december 2005) bestaande verzekering vervalt voorzover die gelijkwaardig is aan het woonlandpakket. Een niet goed doordachte clausule want verzekerden noch verzekeraars weten hiermee raad.
De Stichting heeft ten slotte nog een advies uitgebracht aan de buitenlanders die nog geen beslissing hebben genomen (waar over de Spaanse situatie wordt gesproken, kan ook de Franse worden gelezen, in het bijzonder de aanmelding bij de CPAM).
'Allereerst lijkt het aanbeveling te verdienen dat u zich toch (voorlopig) inschrijft bij het Spaanse ziekenfonds met uw E-121 formulier. Heeft u dat nog niet, belt u dan naar de heer Mr. René van der Wissel (0031207978796) met het verzoek u onmiddellijk een exemplaar toe te sturen. Als u dat ontvangen heeft, gaat u naar het lokale ziekenfonds (INSS) om zich te laten inschrijven onder overlegging van het E-121 formulier en daarna naar het Centro de Salud om een ziekenfondskaart (in Frankrijk Carte vitale) te ontvangen met op de achterzijde de toegewezen huisarts.
Vervolgens kunt u uw verzekeraar een brief schrijven. Hierin verzoekt u u te berichten of onder de aanvullende dekking vallen: 1. behandeling in het woonland door een Nederlandse huisarts of specialist; 2. specialistische behandeling en opname in een Spaans particulier ziekenhuis of een ziekenhuis in Nederland; 3. alle door vorengenoemde artsen voorgeschreven medicamenten; 4. fysiotherapie.
(Bovenstaande situatie doet zich in Frankrijk vrijwel niet voor. Nederlanders in Frankrijk bezoeken normaliter de Franse huisartsen en Franse specialisten).
'Tegelijk met deze brief kunt u uw verzekeraar verzoeken uw Nederlandse polis voor 2005 tot nader order op te schorten, zowel de premie als de dekking, gelet op de procedure tegen de Staat. Bij dit verzoek dient u natuurlijk wel te zorgen voor een ziekenfondsdekking of andersoortige dekking, zodat u niet onverzekerd rondloopt', aldus de Stichting.
Pensionado's verliezen kort geding
(25.01.06) Zorgverzekeraars mogen de premies van gepensioneerden in het buitenland verhogen. De rechtbank in den Haag heeft de eis van een groot aantal pensionado's om dezelfde premie te betalen als vorige jaren afgewezen. De rechter vindt de verhoogde premies gezien de geboden dekking redelijk.
Dat blijkt uit de uitspraak die de rechtbank woensdag deed in een kort geding dat drie afzonderlijke buitenlandse verzekerden en een stichting die hun belangen behartigt hadden aangespannen tegen drie zorgverzekeraars: Ohra, Delta LLoyd en Achmea. De hogere premies zijn het gevolg van het nieuwe zorgstelsel dat op 1 januari werd ingevoerd. Volgens de vereniging hadden de gepensioneerden recht op de oude verzekering en zijn ze slecht voorgelicht. Over de drie verzekeraars die zij voor de rechter daagden, kwamen de meeste klachten binnen.
De rechter tekent in zijn uitspraak wel aan dat de aanbiedingen van de verzekeraars niet op alle punten even duidelijk zijn. De eisen van de duizenden gepensioneerden die zich bij de vereniging hebben gemeld, kan de rechter sowieso niet beoordelen omdat de omstandigheden van afzonderlijke verzekerden te veel van elkaar verschillen. De advocaten van de verzekeraars hadden al betoogd dat de premies niet onrechtmatig zijn verhoogd, maar zeiden ook dat de gepensioneerden bij hen aan het verkeerde adres waren. De verzekeraars wijzen hun buitenlandse klanten door naar minister Hoogervorst (Volksgezondheid) omdat ze door besluiten van het kabinet waren gedwongen om de buitenlandpolissen aan te passen. De pensionado's hebben inmiddels een kort geding tegen de Staat der Nederlanden aangekondigd.
(Het bestuur van de stichting heeft een reactie op de uitspraak gegeven. Het vonnis is daar ook in zijn geheel te lezen).
Rechter wil opheldering over premieberekening
(30.12.05) De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft vrijdag een tussenvonnis gewezen in het kort geding van de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland, samen met drie Nederlanders die in Spanje wonen, tegen de zorgverzekeraars Achmea, OHRA en Delta Lloyd. Het kort geding betreft de door de verzekeraars aangekondigde premieverhogingen bij voortzetting van de huidige verzekeringsovereenkomsten na de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet, per 1 januari 2006.
De rechtbank gelast in het tussenvonnis de verzekeraars om nadere gegevens ter beschikking te stellen over de wijze waarop de premieverhogingen tot stand zijn gekomen en over het verloop van de aan de eisers in rekening gebrachte jaarpremies in de afgelopen drie jaar alsmede over de opbouw en de precieze hoogte van de vanaf 1 januari 2006 in rekening te brengen jaarpremies. De mondelinge behandeling van het kort geding zal worden voortgezet op een nader door de voorzieningenrechter te bepalen datum in week 2 of 3 van 2006. Het gehele vonnis is te lezen op deze website.
Pensionado's dagen Staat der Nederlanden
(27.12.05) Nederlandse gepensioneerden die permanent in het buitenland wonen, gaan de Staat der Nederlanden voor de rechter dagen. Advocaat P. Bos van de Vereniging Nederlandse Gepensioneerden in Spanje heeft dat bekendgemaakt. De Staat, in feite het ministerie van Volksgezondheid, heeft de gepensioneerden slecht voorgelicht over het nieuwe zorgstelsel dat per 1 januari 2006 is ingegaan, zo stelt de vereniging. De pensionado's eisen dat ze daarom aanspraak kunnen blijven maken op hun oude verzekeringspolissen van voor de stelselwijziging.
Voor de rechtbank in Den Haag diende vrijdag een kort geding dat de gepensioneerden eind vorig jaar hebben aangespannen tegen drie zorgverzekeraars. Volgens de pensionado's hebben de zorgverzekeraars Ohra, Delta Lloyd en Achmea, na de invoering van het nieuwe zorgstelsel, de polissen van de gepensioneerden in het buitenland op zeer onredelijke wijze aangepast. De gepensioneerden moeten hierdoor veel meer premie betalen, soms het dubbele van vroeger. Volgens Bos hebben de verzekeraars in veel gevallen niet eens de moeite genomen om hun klanten uit te leggen waar de premieverhogingen op zijn gebaseerd. De gepensioneerden hebben de drie zorgverzekeraars voor de rechter gedaagd waarover de meeste klachten binnenkwamen. In feite willen ze dat alle zorgverzekeraars de oude polissen aanbieden aan hun klanten in het buitenland. Volgens de advocaten van de drie zorgverzekeraars zijn de gepensioneerden aan het verkeerde adres. De pensionado's moeten minister Hoogervorst van Volksgezondheid voor de rechter dagen en niet de verzekeraars, zo stelden de advocaten. De verzekeraars zijn immers door de besluiten van het kabinet gedwongen om de buitenlandpolissen van de klanten aan te passen. De zorgverzekeraars betwisten dat de premies onrechtmatig zijn verhoogd.
Wat meer specifiek, opgetekend via de Spaanse 'lotgenoten':
Volgens het tussenvonnis van de rechter van 30 december 2005 moesten de Zorgverzekeraars aangeven op basis waarvan de exorbitante stijgingen van hun premies voor het jaar 2006 tot stand zijn gekomen. Bovendien moesten zij een zogenaamde pakketvergelijking maken, dwz. zij moesten aangeven welke rechten er in het woonlandpakket zitten en welke in de aanvullende verzekering die zij aanboden
Achmea en in een iets mindere mate Ohra/Delta Lloyd hebben niet aan deze eis voldaan.
Achmea stelde dat de premievaststelling op bedrijfsvertrouwelijke gegevens berust en dat zij deze niet openbaar wil maken. Bovendien stelde zij dat de premies niet waren verhoogd, maar juist verlaagd. De Achmea-verzekerden krijgen een aanbod voor een aanvullende verzekering voor die delen die niet zijn gedekt in het woonlandpakket voor € 1585 per persoon per jaar. Wenst men geen gebruik te maken van het woonlandpakket dan kost diezelfde verzekering € 2435 per persoon per jaar. Het blijft onduidelijk waar de aanvulling uit bestaat. Wel werd schoorvoetend medegedeeld, na een vraag daartoe door de President, dat de eigen huisarts er wel onder het aanvullend pakket viel. De rest bleef onduidelijk.
Ohra/Delta Lloyd spraken Achmea direct daaraanvolgend tegen. Zij stelden dat in het woonlandpakket geen behandeling door Nederlandse huisartsen en privéklinieken zat. Bovendien was geen vooraf geplande behandeling in Nederland mogelijk. Zij boden dat daarom nu wel in hun Wereldpolis. Ondanks het feit dat er aantoonbaar sterke premiestijgingen waren, deden Ohra/Delta Lloyd dit af met een ingewikkeld betoog, waarin feitelijk niets werd aangetoond.
In zijn weerwoord sprak Mr. Bos, de advocaat die optrad voor ons, gepensioneerden, dan ook van een “zwart gat” voor wat betreft de aanvullende verzekeringen, dat tot grote onzekerheid leidt bij de gepensioneerden. Bovendien werd de noodzaak tot premieverhoging niet aangetoond. Hij bleef dan ook bij zijn oorspronkelijke eis “handhaven van de bestaande polissen tegen dezelfde premie”.
Kort geding gevoerd, de pleitnota
(23.12.05) Op vrijdag 23 december is het kort geding gevoerd dat is aangespannen door de stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland en drie in Spanje wonende gepensioneerden tegen enkele Nederlandse zorgverzekeraars. Procureur mr. Bos heeft de eis tot het verbieden van de opzegging vooral 'opgehangen' aan de onmogelijkheid voor vele in Spanje verblijvende Nederlanders om gebruik te blijven maken van door Nederlandse artsen verleende medische zorg in Spanje. Ook enkele meer algemene aspecten zijn ingebracht, die ook van toepassing zijn op de situatie van andere Nederlanders in EU-landen.
De integrale pleitnota van mr. Bos is op deze site na te pluizen (met dank aan de Spaanse vereniging van gepensioneerden). De advocaat van Achmea, één van de gedaagde verzekeraars, heeft de juridische onderbouwing van de | |